Gustav Gerber over taal, taalgebruik en onderwijs

 

Frank Vonk (Doetinchem)

 

 

Wenn [...] in unserer Zeit wissenschaftliche Untersuchungen, welche von blossen Begriffen, Ab­straktionen ausgehen, in Misskredit gekommen sind und mit Unglauben auf­genommen werden, wenn empirische For­schung als grundlegend gefordert wird, so ist auch klar, dass, was Kant als 'Kritik der reinen Vernunft' zu untersuchen be­gann, fortzuführen ist als Kritik der unreinen Vernunft, der gegenständlich ge­wor­de­nen, also als Kritik der Sprache. Die Ver­schie­denheit der wissenschaftlichen, mora­­li­schen, religiösen Begriffe, die Eigentümlichkeit des gan­zen Volks­le­bens, die verschie­dene geschichtliche Entwickelung bei den Nationen sind an sich genügend deutliche Zei­chen, dass ein allgemeines Denk­sy­stem dieselbe Abstraktion ist, wie es ein all­ge­mei­nes Sprachsystem sein würde. (Gerber 1871-74/I:244)

 

 

1. Inleiding. Vooronderstellingen van taalgebruik en de rol van het denken

 

De naam van Gustav Gerber is niet meer zo onbekend onder taalkundigen als een aantal decennia geleden. In 1968 verscheen van de hand van Siegfried Schmidt een boek over problemen bij de beschrijving van taal en denken in historisch perspectief. Naast onder meer John Locke (1632-1704), Wilhelm von Humboldt (1767-1835) en Ludwig Wittgenstein (1889-1951) verscheen de naam van Gerber in dit boek. Gerber werd samen met Friedrich Max Müller (1823-1900) en Georg Runze (1852-1922) gezien als een belangrijke negentiende-eeuwse taalfilosoof die enerzijds het probleem van de relatie tussen taal en denken en anderzijds Kants ‘kritiek van de zuivere rede’ in het licht van een taalkritiek scherper heeft gesteld. Het kernprobleem voor Gerber vormde de rol van de werkelijkheid binnen een taal-tekensysteem:

 

Man betrachtet fälschlich ‘den an den Lauten gewonnenen Begriff, das in den Satzbildungen sich entfaltende Trennen und Konstituieren des Verstandes als das Wesentliche, Innere, Geistige, für welches die Ausdrucksmittel der Sprache nur die äußere, mitteilbare Form lieferten’.                                                              (in: Schmidt 1968:84)

 

Taal verwijst niet naar dingen in de wereld, maar is als klankbeeld (Lautbild) op een conceptuele, symbolische en abstractieve wijze een uitdrukkingsvorm van voorstellingen. In dat opzicht lijkt taal op een kunstwerk. En vandaar ook de titel van Gerbers belangrijkste werk Die Sprache als Kunst.

     Gerbers werk is doorspekt met citaten uit de gehele Westerse literaire, retorische, historische, filosofische en taalwetenschappelijke tradities - men kan wel zeggen van Homerus (ong. 600 v.Chr.) tot Heymann Steinthal (1823-1899). Gerbers belezenheid maakt zijn werken echter niet makkelijk leesbaar. Steeds weer onderbreken langere citaten en commentaren zijn analyses van de onzuivere rede, ofwel de taal. Aangezien veel oorspronkelijk Griekse en zelfs Hebreeuwse citaten onvertaald zijn gelaten, mag men het vermoeden uitspreken dat het werk in eerste instantie bedoeld is voor filologen en filosofen. Deze waren het dan ook die op Gerbers werk reageerden en veelal niet onwelwillend. Al had men veel commentaar op de fouten die er nog in de authentieke citaten in het Latijn, Grieks, Engels etc. zaten. Deze sterk filologische invalshoek leidde er in de recensies toe dat men Gerber verweet van niet-actueel linguïstisch onderzoek uit te gaan. Wel spreken recensenten als Ludwig Tobler (1827-1895) en Victor Henry (1850-1907) lovend over Gerbers belangstelling voor betekenisverandering van woorden op basis van hun gebruik in het alledaagse leven (zie Henry 1885 en Tobler 1871).

Deze in linguïstische kringen rond 1875 ongebruikelijke invalshoek deed geen afbreuk aan het succes dat Die Sprache als Kunst had. De informatiedichtheid van de in eerste instantie in twee banden uitgebrachte Die Sprache als Kunst en de bruikbaarheid als naslagwerk stonden borg voor een relatief snelle tweede druk (1885).

 

2.  Iets over Gerbers leven en zijn rol in het schoolleven van Bromberg (Bydgoszcz)

 

Gerber werd op 13 januari 1820 in Berlijn geboren en stierf op 21 oktober 1901 eveneens in Berlijn. Hij behaalde onderwijsbevoegdheden voor verschillende schoolvakken. Hieronder voor geschiedenis, aardrijkskunde, Latijn en Grieks. Hij liep stage in het schooljaar 1843/44 aan het Königliches Friedrich-Wilhelms-Gymnasium in Berlijn, waar hij ook zelf zijn middelbareschooltijd had doorgebracht (zijn Matura of gymnasiumdiploma kreeg hij op 29 september 1839). Gerber promoveerde in Leipzig over Herodotus - waarschijnlijk heeft hij boek twee van de Historiae becommentarieerd, waarin o.a. het bekende taaloorsprongsonderzoek van de Egyptische koning Psammetichos wordt beschreven. Dat Gerber zich op basis van deze taaloorsprongsproblematiek in zijn “wetenschappelijke loopbaan” met taaloorsprongsproblemen heeft bezig gehouden is een interessante speculatie die echter nog verder onderzoek behoeft. Wel zou een kritische beschouwing over genoemd experiment de opvatting des te plausibeler maken dat het de ontwikkeling van de taal enerzijds van conventionele aard is, maar anderzijds haar oorsprong in het menselijk voorstellingsvermogen heeft dat de eerste spontane klankuitingen stuurt.

Zijn werkzame leven bracht Gerber echter niet in Berlijn noch in het Mekka der neogrammatici, Leipzig, door. Hij werd in maart 1851 in het in Posen gelegen Bromberg (nu: Bydgoszcz in Polen ten noordoosten van Poznań) benoemd tot directeur van de nog op te richten Realschule, later het Realgymnasium. In Bromberg werkte hij tot aan zijn pensioen op 1 april 1886.

 

2.1.        Iets over het onderwijs in Bromberg: J.H. Deinhardt

 

Gerber was in Bromberg echter niet de belangrijkste Schulmann. Wanneer men het archief in Bydgoszcz doorvlooit naar schoolactiviteiten in de tweede helft van de negentiende eeuw stuit men vaak op de naam Johann Heinrich Deinhardt (1805-1876). Men zou deze oudere tijdgenoot een collega van Gerber kunnen noemen. Inzicht in het wel en wee van het schoolleven in Bromberg kan worden verkregen door de over hem aanwezige documenten nader te bekijken - opmerkelijk blijft het natuurlijk wel dat er zo weinig materiaal over Gerber in het stadsarchief te vinden is. Deinhardt was directeur van het in 1817 opgerichte

Figuur 1: Bromberg aan het begin van de 20ste eeuw (Theaterplatz)

koninklijke gymnasium. Men treft in vrijwel alle stukken over hem opmerkingen over zijn  pro-Duitse of pro-Pruisische houding aan betreffende schoolaangelegenheden. Hij was een trouw aanhanger van de Pruisische staat en had vandaar ook problemen met het onderwijs in en van het Pools aan het gymnasium:

 

Aber mehr noch: Deinhardt ist ein kerndeutscher Mann gewesen. Als im Jahre 1848 das Herzogtum Posen in Gefahr war, den Grundstock eines neuen polnischen Staates zu bilden, da war es die Bromberger Bürgerschaft, die flammenden Protest dagegen erhob und deutsch bleiben wollte. Das Vertrauen der Bromberger aber hatte Deinhardt zum Vorkämpfer und Führer in dieser nationalen Bewegung erwählt. Überhaupt war Deinhardt einer der besten, treuesten, reinsten Menschen, die man sich denken kann.

                                                                                                       (Akta miasta Bydgoszczy 1512)

 

Van Gerber is een dergelijke pro-Pruissische houding niet bekend, hoewel men dat niet kan uitsluiten. Aan het Realgymnasium werd echter wel Pools onderwezen, zoals men in het Programm der neu errichteten städtischen Realschule uit 1852 kan lezen. Zoals ook Gerber had Deinhardt in Berlijn gestudeerd, en wel bij August Friedrich Boeckh (1785-1867) en Franz Bopp (1791-1867):

 

Er hörte bei Ohm und Ideler mathematische, bei Encke, der ihm auch einen Teil der Rech­­nungen für einen Jahrgang seines astronomischen Jahrbuchs übertrug, astro­no­mi­sche, bei Link und Ermann naturwissenschaftliche Vorlesungen, versäumte aber auch nicht philologische und sprachwissenschaftliche bei Boeckh und Bopp, geschichtliche bei Fr. v. Raumer, geographische bei Ritter und war besonders eifrig in den phi­loso­phi­schen Lehren  Hegels und Hennings. [...]. Als Lehrer und nochmehr durch seine literarische Tätig­keit hatte er die Aufmerksamkeit der Behörden auf sich gelenkt, die ihm 1844 das Direk­torat des Gymnasiums in Bromberg übertrugen, nachdem er vorher das collegium pro rectoratu vor der wissenschaftlichen Prüfungskommission in Halle gemacht hatte.

                                                                                                       (Akta miasta Bydgoszczy 1512)

 

Ik wil hier verder niet bij Deinhardt stilstaan maar meer ingaan op het de onderwijsactiviteiten van Gerber in Bromberg.

Figuur 2: Foto van de Fischmarkt, waar het Realgymnasium zich bevond (foto uit 1913).

 

2.2.        Het talenonderwijs in Bromberg

 

Zoals gezegd werd er aan Gerbers Realschule wel Pools onderwezen. Dit had mede van doen met de Poolse afkomst van een aantal leerlingen en met het feit dat een Realschule op een meer praktisch beroepenveld voorbereidt. Volgens Gerber vormden de moderne talen de kern van een Realschul-opleiding. In twee bijdragen aan het Programm der städtischen Realschule legde Gerber het verschil tussen een gymnasiale en een Realschul-opleiding uit wat betreft de kennis van het Latijn en de vreemde talen. De vakken die aan een Realschule worden onderwezen en het beroepenveld maken het niet direct noodzakelijk dat een leerling die zijn Abschluß doet het Grieks en het Latijn beheerst. De praktische beheersing van het Frans, het Engels, het Duits en eventueel het Pools zijn naast de andere, meer praktische vakken die aan een Realschule worden onderwezen van groot belang. Desalniettemin doet het Latijn hier ook nog mee: het biedt de leerling een hulpmiddel of instrument om de grammaticale en syntactische structuren van de moderne talen beter te kunnen begrijpen. Uiteindelijk moet men echter de “abacus”, het Latijnse telraam, van zich werpen om op eigen kracht de vreemde taal passief en actief in de praktijk te kunnen gebruiken:

 

[Für jetzt] ist das Lateinische der Realschule noch unentbehrlich, und, weil unentbehrlich, auch mit so viel Kraft zu treiben, daß es gern getrieben werden kann. Der modernen Philologie aber ist die Aufgabe gestellt, diese Stütze nach und nach entbehrlich zu machen, und, was bisher hierfür geschehen, giebt für eine nicht zu ferne Zukunft erfreulichen Hoffnungen Raum. Was aber schon jetzt die einheitliche Behandlung des Unterrichts in der Realschule mächtig fördert, ist der Umstand, daß der Unterricht in den Realien ohne Schwierigkeit mit dem in den modernen Sprachen in Verbindung gesetzt werden kann.

                                                                                                                          (Gerber 1854:18f.)

 

Bromberg - Realschule 1911

Figuur 3: De Realschule in Bromberg (1911)

 

Het blijft opmerkelijk dat Gerber het belang van het Latijn aan een Realschule benadrukt, aangezien het Latijn en het Grieks bij uitstek vakken zijn die met het traditionele Bildungsideal samenhangen en de leerling aanzetten tot abstracte, formele kennis en niet direct tot een praktische toepassing van de vreemde taal. Kennis van het Latijn bijvoorbeeld geeft een duidelijker beeld van de eigen structuur (afwijkend van die van het Latijn) en de eigen waarde van de moedertaal. Bovendien biedt kennis van het Latijn “Sinn für Schönheit und Angemessenheit der Form” (Gerber 1854c: 18) die juist niet besloten ligt in de kennis van moderne vreemde talen. Het Latijn is dan ook een hulpmiddel en een object, “dessen Durchdringung auf dem Wege reflektirender Vergleichung auch das eigene Denken und Sprechen erreichte und regelte” (Gerber 1854c: 18). Wanneer Gerber hier van vergelijkend taalonderwijs spreekt dan doelt hij daarmee op het versterken van het algemene taalgevoel door onderwijs in verschillende talen, waaronder het Latijn. Deze ideeën over de ontwikkeling van de Realschule in Duitsland worden ook in historische studies naar de Realschule bevestigd. Zo beschrijft Klaus Schmitz (1980: 71ff) in zijn Geschichte der Schule de strijd tussen de gymnasia en de Realschulen waar het gaat om de status van de moderne vreemde talen en het Latijn en het Grieks. Pas in 1832, in een zogenaamde Prüfungsordnung, wordt vastgelegd welke vakken er aan een Realschule kunnen worden onderwezen: Duits, Frans, wiskunde en natuurwetenschappen, geschiedenis en aardrijkskunde, maar ook Latijn en Engels, alleen aan die Realschulen, waaraan ze op dat moment worden onderwezen. Na het eindexamen kan men een functie in allerlei ambtenarenbanen krijgen. Echter na 1850 worden Realschulen meer en meer als Nützlichkeitskramschulen beschouwd en als broedplaatsen van materialisme, ongeloof en revolutie (men denke hier aan het revolutiejaar 1848, waarin men in opstand kwam tegen de reactionaire en feodale krachten in Duitsland). In 1859 kwam er eindelijk een definitieve Unterrichts- und Prüfungsordnung für die Real- und höheren Bürgerschulen. Er kwamen twee soorten Realschule: De Realschule I. Ordnung, een negenjarige opleiding, gelijk aan het gymnasium, met als zwaartepunten wiskunde en natuurwetenschappen en de moderne talen plus het vak Latijn dat alle leerjaren werd onderwezen. Daarnaast werd besloten tot een Realschule II. Ordnung, die qua opleiding korter was en facultatief Latijn aanbood. Deze laatste vorm kwam echter nauwelijks van de grond, aangezien veel steden het recht hadden een Realschule I. Ordnung op te richten. Het grote verschil was echter dat men met het diploma II. Ordnung geen toegang tot de universiteit had:

 

‘Und wenn es allmählich so kam, daß das Lateinische an den vollausgebauten Realschulen für alle Schüler obligatorisch wurde und dagegen die lateinlosen Anstalten als eine zurückgebliebene und nieder Schulgattung angesehen wurden, so zeigt sich darin das Wesen des Beamtenstaates in einer für die gesunde Entwicklung der Schulen ungünstigen Richtung: man hatte für Gewerbe, für Handel und Industrie sorgen wollen und schnitt nun doch die ganze Einrichtung auf bestimmte Beamten-Kategorien zu; darüber wurde aber jener nächste und eigentliche Zweck vergessen und vernachlässigt’.

(Th. Ziegler; in: Schmitz 1980, 72f.)

 

Gerber, zelf opgeleid aan een gymnasium en dit met hart en ziel toegewijd, verdedigde in 1876 nog de wetenschappelijk gelijkwaardige status van de Realschule aan die van het gymnasium. In 1902  wees de latere directeur van de Städtische Realschule, Kessler, nog eens op het hetgeen Gerber met betrekking tot het wetenschappelijk karakter van een Realschul-opleiding had gezegd:

 

[...] das Ziel der Realschule sei [nach Gerber], 'eine allgemeine wissen­schaft­liche Vorbildung' zu gewähren. Aber der Zusatz: 'zu denjenigen Berufsarten, für welche Universitätsstudien nicht erforderlich sind', stand damit im Widerspruch. Darauf hat der erste Leiter dieser Anstalt, den leider die Gebrechlichkeit des Alters verhindert, heute in unserer Mitte zu weilen, am 25jährigen Stiftungsfeste der Anstalt - am 12. Mai 1876 - hingewiesen, indem er ausführte, daß nach den Worten der Unter­richts- und Prüfungsordnung von 1859 die Realschule eine allgemeine wissen­schaft­liche Bildung gewähre, welche zum Betreiben einer Wissenschaft nicht genügte, und er bemerkt treffend dazu: 'Wissenschaftliche Vorbildung kann nur allgemein sein, und, weil universell angelegt, führt sie ihrer Natur nach zur universitas litterarum; sie muß frei sein von Bestimmungen, Bedingungen und Beschränkungen, welche von außen her ihr auferlegt werden können, wenn sie echter Art sein soll; sie bereitet auf nichts vor, als auf Betreibung der Wissenschaft, weder also auf bestimmte Berufsarten, noch auf bestimmte praktische Beschäftigungen, deren Wahl vielmehr von den Individualitäten, den Neigungen, den Lebensumständen der Vorgebildeten abhängig bleibt.)                                        

                                                 (Chronik des Königlichen Realgymnasiums zu Bromberg 1902: 34f.)

 

Gerber keerde na zijn pensionering in 1886 terug naar Berlijn. Hij was gehuwd met ene Antonia en had twee dochters, Hedwig (geboren in 1853) en Julia (geboren in 1856). Zijn zoon Viktor sneuvelde op 6 augustus 1870  in de Frans-Duitse oorlog “für König und Vaterland” in de buurt van Wörth. Op 12 mei 1876 werd hij tot ereburger van de stad Bromberg benoemd. Tevens werd een Gustav Gerberfonds in het leven geroepen op 11 mei 1876 door vroegere leerlingen van het Realgymnasium ter ere van hun vroegere directeur. De bedoeling van dit fonds was om minder welgestelde leerlingen van het Realgymnasium financieel te ondersteunen (vgl. Samel 1992). Na zijn vertrek naar Berlijn was Gerber actief in de politiek en wel voor de nationaal-liberale partij, waar hij zich met onderwijs bezig hield - al trok hij zich gefrustreerd terug uit de politiek toen een voorstel voor een wijziging van de onderwijswet werd afgekeurd. Gerber overleed in Berlijn op 21 oktober 1901. Tijdens de viering van het 50jarig bestaan van het Realgymnasium in 1901 stond de reeds genoemde dr. Kessler stil bij de verdiensten van Gerber voor de school. Een jaar later schreef Kessler:

 

Ein für uns recht schmerzliches Ereignis war der am 21. Oktober 1901 zu Berlin erfolgte Tod des Mitbegründers und ersten Direktors unseres Realgymnasiums, Dr. Gerber, der dasselbe von seiner Eröffnung am 12. Mai 1851 bis zum 1. April 1886 geleitet hat. Wir widmeten ihm einen Nachruf in den hiesigen Tagesblättern und der 'National-Zeitung', für welche der Verblichene bis in die letzten Tage seines Lebens schriftstellerisch thätig gewesen war, und entsandten als Vertreter unseres Kollegiums bei der Beisetzungsfeier-lichkeit am 24. Oktober Herrn Professor Gutzeit, der dem Entschlafenen im Leben besonders nahe gestanden hatte. Er legte einen Kranz im Namen unserer Anstalt auf Dr. Gerbers Grab nieder. Am Tage der Beisetzung fand um 12 Uhr in der Aula eine Trauerfeier statt, bei welcher der Berichterstatter ein Lebensbild des Entschlafenen entwarf.             (Chronik des Königlichen Realgymnasiums zu Bromberg 1902: 34f.)

 

 

3. Gerbers werk en de reacties hierop uit het wetenschappelijk veld

 

 

Eigenlijk kan men zeggen dat Gerber maar drie wetenschappelijke studies heeft gepubliceerd: Die Sprache als Kunst (1871-73), Die Sprache und das Erkennen (1884) en Das Ich als Grundlage unserer Weltanschauung (1893) verschenen elk zo’n tien jaar na elkaar. Men mag aannemen dat de klachten over zijn drukke bestaan als schoolleider ernstig genomen moeten worden. In zijn voorwoorden beklaagt Gerber zich er over dat de alledaagse beslommeringen geleid hebben tot problemen bij het persklaar maken van zijn werk. Wat dat betreft is er de laatste honderd jaar weinig veranderd. Verklaart dit dan ook de toch lauwe reacties uit het wetenschappelijke veld? Uit de recensies van o.a. Ludwig Tobler (1827-1895), Victor Henry (1850-1907), Wilhelm Jerusalem (1854-1923) en Wilhelm Wundt (1832-1920) blijkt een welwillende opname van het door Gerber naar voren gebrachte, maar bijvoorbeeld Wundt gaat in zijn eigen latere werk, bijvoorbeeld zijn Völkerpsychologie, niet meer op Gerber in. En ook Henry geeft in zijn recensie (1885) n.a.v. de tweede druk van Die Sprache als Kunst en Die Sprache und das Erkennen veeleer zijn eigen opvattingen weer dan dat hij Gerber in zijn meanderende betoogtrant in genoemde boeken volgt; overigens stemmen die opvattingen in grote lijnen overeen met die van Gerber:

 

Le langage est un mal nécessaire: rien ne saurait le rendre adéquat à la pensée, si analytique qu’il devienne, et les erreurs auxquelles il donne naissance, les idola fori (I, p.276) compte parmi les plus tenaces, parce qu’elles font partie intégrante de notre héritage intellectuel, et qu’aucune conception ne nous apparaît jamais que sous une forme parlée qui la déguise tout en l’exprimant.                                                                                         (Henry 1885: 270)

 

Toch lijkt de rol van Gerber op de achtergrond van de stijlleer, de studie van metaforen (vgl. Stutterheim 1941 en Hülzer-Vogt 1987) en andere stijlvormen niet onbelangrijk. En dat geldt eveneens voor de retoricacolleges die Friedrich Nietzsche (1844-1900) in Bazel heeft gehouden. In een minutieuze vergelijking van teksten van Nietzsche en Gerber blijkt, dat Nietzsche de laatste wel het een en ander verschuldigd is. In een recente monografie over Nietzsche wordt echter niet ten onrechte gesteld dat ongeacht dit gegeven Nietzsches denken authentiek genoeg is om hem wat betreft zijn taalopvatting van plagiaat te beschuldigen:

 

Ein Beispiel dafür ist die 1873 entstandene, erst im Nachlaß gefundene Schrift ,Ueber Wahrheit und Lüge im außermoralischen Sinne'. Hier greift er zum Teil wörtlich Formulierungen des von Humboldt beeinflußten Sprachthe­oretikers Gustav Gerber auf, und doch ist dieser Text ein Exempel originären Denkens -- heute vielleicht die knappste und klarste (Selbst-)Einführung in sein ganzes Werk.                         (Gerhardt 1992:38)

 

Een reden om zich wat intensiever met Gerber bezig te houden ligt dan ook niet direct in zijn betekenis voor de taalwetenschap, de esthetica of de filosofie in de negentiende en twintigste eeuw maar in zijn eigen opvattingen dienaangaande en wellicht ook in een andere dan zuiver taalwetenschappelijk gemotiveerde belangstelling. Wanneer men zijn ethische, taalfilosofische, retorische of psychologische aanpak bestudeert en zijn methodologische reflecties op de genese en de structuur van taal in hun context plaatst, krijgt Gerber bijvoorbeeld bij Cloeren (1988) in diens studie van de verschillende Duitse taalanalystische posities in de 18de en 19de eeuw een eigen hoofdstuk. In zijn taalkritiek, een empirisch-psychologische aanpassing van het project van Immanuel Kant (1724-1804), tracht Gerber een transcendentale metafysica te weerleggen door een marginalisering van haar cognitieve inhoud. Weliswaar is Gerber gecharmeerd door de architectuur van de Kantiaanse en post-Kantiaanse metafysica - hij geeft zelf in zijn kunstbeschouwing een staaltje van een dergelijke bouwkunst -, maar voor hem heeft de zintuiglijke waarneming middels oog en oor prioriteit. In zijn dissertatie over Otto Friedrich Gruppe en Gerber schrijft Hans Simonis het volgende over Gerbers Kantkritiek:

 

[Gerber möchte Kants] Apperception [die alle voorstellingen als het ware synthetiseert - fv] als ‘Verstandes- oder erkennendes Ich’ bezeichnen und kritisiert, daß es Kant nicht gelungen sei, an die ‘Wirklichkeit’ heranzukommen, weil er nur ‘reine Begriffe, reine Erkenntnisse und reines Denken’ untersucht habe, und durch seine Gegenüberstellung von Sinnlichkeit einerseits und Verstand andererseits gezwungen worden sei, zu erklären, daß sich zwar der Erkenntnisakt durch den ‘Schematismus der reinen Verstandesbegriffe’ vollziehe, der jedoch nur ‘eine verborgene Kunst in den Tiefen der menschlichen Seele’ ist, und nichts wirklich Lebendiges, wie es Gerber’s empirisches Ich darstellt. ‘Kant schlägt aus Vorsicht das sinnliche Leben des Subjekts tot, um das so zum Objekt gewordene in Ruhe sezieren zu können’, das ‘Ich’, erklärt Gerber, ist bei Kant nicht mehr als eine leere Form.                                                                        (Simonis 1959:68)

 

Hier duikt het al door Humboldt aangehaalde cruciale probleem van de relatie tussen de levende taalwerkelijkheid en de vastgelegde taalproducten op. De laatste lenen zich uitstekend voor hoogdravend gegoochel met begrippen, maar vormen slechts een versteende weergave van het “werkelijke wezen der taal”. Gerber wil het Kantiaanse ik weer leven inblazen en doet dat door het te ontworstelen aan de greep van het formele. Overigens is Gerber wel in die zin schatplichtig aan Kant dat hij het door hem uitgewerkte epistemologische kader voor een mogelijke taalfilosofie niet inhoudelijk, maar wel qua vorm als toetssteen van zijn taalkritisch onderzoek hanteert. Ook voor Gerber geldt dat het de verdienste van Kant is geweest dat er in de negentiende eeuw een weg vrijgemaakt is naar een ‘oorspronkelijke’ manier van taalfilosofische reflectie, uitgaande van het taalgebruikende subject en de verscheidenheid aan realisering van talen:

 

Kants Werk [erweist sich] als grundlegend für die Sprachphilosophie, weil es eben deren Begründung gestattet. Erst nach Kant tritt die Sprachphilosophie als philosophia prima hervor. [...]. Dies kommt besonders in Humboldts ‘Metakritik’ zum Vorschein, wo die Transformation als dialogisch und einzelsprachlich-historische Wende sowohl die Autonomie der sprachphilosophischen Reflexion als auch die Notwendigkeit der empirisch-linguistischen Forschung in ihrer untrennbaren Verbindung fordert.

                                                                                                                (Di Cesare 1996: 183)

 

3.1.        “Die Sprache als Kunst”

 

Kants transcendentale kennisleer speelt door heel het werk van Gerber heen. Te beginnen bij zijn eersteling Die Sprache als Kunst. Naast een bijzonder deel, waarin hij uitvoerig ingaat op stijlfiguren, kent dit werk een algemeen deel. In dit deel gaat hij op de voorwaarden in, waaronder taal zich ontwikkelt en betekenisvol is binnen het menselijk communiceren. Zo is communicatie of Verständnis gebaseerd op min of meer onbewuste, niet-talige vooronderstellingen:

 

Unser gesteigertes Bewußtsein erreicht Bestimmtheit in der Darstellung seiner Momente in dem Maße, als wir in dem Laut nur konventionelle, d.h. uns durch den usus ganz angehörige, willkürlich ausgeprägte, nur innerhalb der von Menschen geschaffenen Verhältnisse giltige und verwendbare Zeichen sehn. Dann nämlich sichern die gleiche Kulturentwicklung zusammenlebender Menschen, die enge Verbindung durch die Gemeinsamkeit der Interessen, die unzähligen Merksteine der sichtbaren Welt, in welche unser Erkennen, Wollen und Handeln uns verflicht, dem Lautzeichen der Sprache ein relativ genaues Verständnis.                           (Gerber 1871-74:289)

 

Gedeeld begrip blijft echter een utopie. De niet altijd in begrippen te vatten beeldenvloed die zich aan ons voorstellingsvermogen voordoet, blijft een fundamentele rol spelen in Gerbers opvatting dat ons begrip van de zintuiglijke wereld slechts voorlopig is. In termen van John Locke zou men van een “imperfection of language” (cf. Guyer 1994:115) kunnen spreken. Lockes scepticisme omtrent de indirekte wijze, waarop woorden dingen buiten ons aanduiden (Gerber spreekt van andeuten), heeft ook consequenties voor de kennistheorie en de  communicatie tussen mensen: “we can never be quite sure that another means exactly the same thing we do ourselves, or is saying the same thing about an object that we are, and we had better be careful about hastily assuming that he does” (Guyer 1991:121).

Zoals ik echter aan het begin al heb laten doorschemeren, bevindt zich Gerber met zijn opvatting over de status van begrippen halverwege. Er is namelijk, in tegenstelling tot hetgeen hij in Die Sprache als Kunst of in Die Sprache und das Erkennen stelt, op het niveau van het ik (Ich) wel degelijk sprake van een voorgegeven menselijke kosmos, die in taalvormen als het ware wordt herinnerd. Deze opvatting werkt hij in zijn laatste boek, Das Ich als Grundlage unserer Weltanschauung, uit. Gerbers abstracte Ich participeert als het ware in een universele cosmos van menselijke ikken en is tevens de enige voor zijn taalconcept relevantie instantie die betekenis aan woorden verleent:

 

Wir fühlen das Ich in uns und erschliessen daraus das Sein des Ich im Universum, da wir selbst dem Universum angehören. Wird aber, wenn wir uns so ausdrücken, die Übertragung der Einheitsform vom Menschen auf das Universum nicht durch logisches Denken, durch einen Akt des Erkennens gerechtfertigt, als berechtigt erwiesen? Nein! - Es zeigt sich nur, welches die Tatsache ist, auf welcher unser Denken sich stützen kann, wenn es den Begriff des Ich auf den des Universums beziehen will, um, einem Gefühle folgend, beide durch den Begriff der Einheit miteinander zu vermitteln.                                                                                                                    (Gerber 1893:413f.)

 

 

Deze Fichteaanse dubbelslag kent aan het betekenisverlenende subject op basis van diens voorstellings- en kenvermogen een essentiële rol toe die nog verder wordt uitgewerkt in ethische zin naar begrippen als ‘waarden’ en ‘vrijheid’ toe. Opmerkelijk is in elk geval dat Simonis in de reeds genoemde dissertatie het laatste werk van Gerber niet meeneemt, wanneer hij Gerbers kritiek op de dubbele status van Fichtes “Ich”, namelijk als absoluut scheppend en als individueel bewustzijn, bespreekt. Maar over Gerbers ethische opvattingen wil ik het hier verder niet hebben.

Een belangrijk punt is mijns inziens wel de rol van Gerbers Realidealismus bij zijn interpretatie van Kant en Humboldt. Hoewel Kant zich niet expliciet met taal schijnt te hebben bezig gehouden, maar toch ook weer wel volgens recente studies van o.a. Donatella di Cesare (1991; 1996) en anderen, heeft in de receptie van Kants werk het gemis aan duidelijkheid over de feitelijke rol van taal in het kennisproces geleid tot een kritiek van de taal of de onzuivere rede, zoals Gerber het in Die Sprache und das Erkennen noemt. Want elk individu baseert zijn taal niet op de behoefte om de wereld van de dingen weer te geven, maar op de door hem voorgestelde dingen. Het empirische ik, waar Gerber het steeds over heeft, is de zingevende instantie die zich in haar taalontwikkeling op zijn voorstellingen van de wereld baseert. Gevoel en wil bepalen in eerste aanzet de behoefte om voorstellingen middels klanken en woorden tot uitdrukking te brengen.

De taalontwikkeling begint bij het produceren van klanken. Dit proces hoeft niet per definitie van de mens uitgaan, maar kan ook betrekking hebben op de perceptie van klanken die door andere levende wezens worden voortgebracht. Klanken kunnen worden meegedeeld aan en gehoord door anderen en werken zo op het gemoed van andere individuen. Wanneer op basis van deze meegedeelde en gevatte klanken reacties bij andere individuen ontstaan kan men stellen dat er sprake is van een op basis van taal gecreëerd wederzijds begrip. Eerst dan ontwikkelt zich geleidelijk een conventioneel instrument dat door de leden van een taalgemeenschap kan worden gebruikt voor communicatieve doeleinden. De taal zelf wordt, zoals we dat later ook bij Lew S. Vygotsky (1896-1934) zien, geleidelijk een sociaal medium:

 

Sprache nimmt ihren Ausgangspunkt von Individuen. Sie entsteht aus individuel­len Reizen, wird sofort aber dadurch, dass sie laut d.h. zum Laut wird, zum mächtigsten Bindemittel der Gattung - die Nationalitätskämpfe unserer Zeit zeigen vielfach diese Macht - und man kann deshalb nicht unterscheiden zwischen einer Sprache, welche nur für das Individuum wäre, und einer Sprache der Gattung, aber doch lässt sich mit den Begriffen Individuum und Gattung eine Linie der Fortbewegung bezeichnen, auf welcher die Entwickelung der Sprache vor sich geht, und auf dieser Linie der Punkt des Anfangs und des Zieles, und man gewinnt, indem man ihre Richtung verfolgt, eine Übersicht über die beständig wachsende Benutzung der Sprache als Mittel. Vielleicht genügt hier das folgende Schema:

I.                 Es schafft zunächst das Individuum, welches die Sprache hervorbringt, eben nur für das Individuum; indem es ferner die Wirkung der Laute auf die anderen erkennt und benutzt, gebraucht es sie als Mittel zum Verkehr mit der Gattung, so weit diese in der Familie, im Stamm im Volk seiner Einwirkung erreichbar wird.

II.      Die Sprache der Gattung, sagen wir: die Volkssprache, wird dadurch auch zur Sprache des Individuums, und abermals teilt sich dann die Anwendung dieser fest gewordenen Überlieferung, indem sie sich richten kann auf die Individuen oder auf die Gattung.                                                                                                    (Gerber 1871-73/I:246f.)

 

Pas in de tweede fase ontwikkelt zich taal als een conventioneel of cultureel verschijnsel. Met de ontwikkeling van een “sociale” taal nemen volgens Gerber de vrije en creatieve uitdrukkingsmogelijkheden van taal af  (de zg. Bildekraft) en ontwikkelt zich de gebruikstaal die letterlijk en figuurlijk conventioneel van aard is. In tegenstelling echter tot latere taalkundigen, filosofen en psychologen blijft Gerber hoofdzakelijk geïnteresseerd in de rol van het Ik in deze socialisering van de taal en minder in de rol van het ik voor de ander, zoals we dat later bijvoorbeeld bij George Herbert Mead (1863-1931; vgl. Vonk 1995) aantreffen. Wellicht dat dit nog een relict is van de intensieve discussie van het werk van Kant.

 

3.2.        “Kunst en taal”

 

Wat Gerbers taalkundige wortels betreft moet nog het nodige boven water worden gebracht. Wel is duidelijk dat met name het werk van Wilhelm von Humboldt en Franz Bopp van belang is geweest voor de ontwikkeling van Gerbers gedachten over taal en taalontwikkeling. Ook zijn filologische studies en zijn belangstelling voor kunst en kunstvormen zijn door zijn hele werk heen te vinden. Zo splitst hij in Die Sprache als Kunst de kunsten op in visuele en auditieve kunst. Alle kunstuitingen laten een specifiek voor het oog en een meer voor het oor bedoelde indeling toe:

 

1.  Künste des Auges:

a.       Baukunst.                       b.      Bildnerkunst.                  c.       Malerei.

Architectur                             Plastik                          

 

2.  Künste des Ohrs:

a.       Tonkunst.                       b.      Sprachkunst.                  c.       Dichtkunst

Musik                           

                                                                                                                     (Gerber 1871-74/I:32)

 

Kunstvormen worden hier hierarchisch geordend van meer materie- tot meer vorm-georiënteerd. De visuele kunsten zijn gebaseerd op de structuur van materie in de ruimte, de auditieve op de articulatie van de innerlijke natuur van de mens in de tijd. Duidelijk is hier de empirische of esthetische basis van kennis in Kants Kritik der reinen Vernunft te herkennen:

 

Vermittelst der Sinnlichkeit also werden uns Gegenstände gegeben, und sie allein liefert uns Anschauungen; durch den Verstand aber werden sie gedacht, und von ihm entspringen Begriffe. Alles Denken aber muß sich, es sei geradezu (directe) oder im Umschweife (indirecte), vermittelst gewisser Merkmale, zuletzt auf Anschauungen, mithin, bei uns, auf Sinnlichkeit beziehen, weil uns auf  andere Weise kein Gegenstand gegeben werden kann.                                                                                    (Kant. KrV, B33)

 

Een nader onderzoek naar de rol van de transcendentale esthetica en de analyse van het oordeelsvermogen bij Kant voor Gerbers kunstopvatting zou een beter begrip van Gerbers Sprachkritik zeker ten goede komen. Ik hoop hier t.z.t. nog eens aan toe te komen.

Voor Gerber zijn licht en geluid de beide factoren die zijn systeem der kunsten bepaalt. Het naast-elkaar of de ruimtelijke bepaaldheid als ‘gewisses Merkmal’ van de visuele en het na-elkaar of de tijdsbepaaldheid van de auditieve kunsten zijn afhankelijk van licht- respectievelijk geluidsgolven. Zo ziet men bij de trits muziek, taalkunst en dichtkunst een toenemende innerlijkheid of verinnerlijking van geluidstrillingen. Allereerst een ritmische structuur in de gemoedsbewegingen van de mens op basis van klanken, dan een meer bepaalde opeenvolging van klankreeksen en tot slot het bevatten of begrijpen van de ziel van de natuur (Naturseele) - steeds weer in haar dubbelheid van menselijke natuur en haar omgeving opgevat (vgl. Gerber 1871-73/I: 24).

     De kunstenaar bezielt het kunstwerk door het een bepaalde vorm te geven die het dan wederom eerder tot een visuele dan wel een auditieve kunst maakt. Deze bezieling is volgens Gerber de essentie van het kunstwerk - men vergelijke in deze context de energeia-definitie van taal bij Humboldt. Het creëren of scheppen van het werk is zijn ware betekenis. Het herscheppen of re-creëren van het werk door de kunstwaarnemer bevrijdt het van zijn praktische of subjectieve bedoelingen en maakt het toegankelijk voor de ander. Daarmee is het dus niet in eerste instantie van belang welke bedoeling de schepper met het kunstwerk heeft gehad, maar kan in termen van Kant belangeloos worden waargenomen, bestudeerd en beoordeeld.Gerber stelt dat de kunsten de meest menselijke uitdrukkingsvorm is. Volgens Kant is het zelfs een typisch menselijke behoefte om zich in kunstvormen te uiten, zonder dat hier enig belang mee is gemoeid - al zal iedere kunstenaar proberen om een zekere doelmatigheid met zijn kunstwerk mee te geven. Het doel van artistieke uitingen is om het plezier aan het scheppen tot uitdrukking te brengen. En daarmee zitten we natuurlijk heel dicht bij het belang dat Gerber aan kunst hecht: gelijk de oorsprong van taal die als de schepping van klankmateriaal moet worden gezien, zijn kunstuitingen op te vatten als elementaire mentale handelingen. Elke kunst is in zekere zin de realisering van een seelische activiteit van de kunstenaar. Men kan empirische verschillen vaststellen wat betreft de verschillende menselijke mogelijkheden om qua vorm en qua inhoud kunstwerken voort te brengen (erzeugen). Zo genereert en bepaalt een verschil in materie de perceptie van het kunstwerk, namelijk op verschillende wijzen via het oog of via het oor. Dit heeft zowel invloed op het scheppen van het kunstwerk door de kunstenaar als op het vatten en bevatten of begrijpen ervan door de waarnemer:

 

Man kann sich also vorstellen, die Natur reize zur Nachahmung, und so entstehe die Kunst; man kann aber ebensowohl sagen, daß ein Kunsttrieb der Seele innewohne, welcher sie nötige, zu schaffen; in der That ist es das Zusammentreffen beider Bewegungen, welches die Kunst hervorbringt. Natur und Mensch sind mit und für einander geschaffen, und darum trifft das Sehnen im Menschen auf jene Andeutungen seiner Befriedigung in der Natur. Wollen wir hier vorgreifend nach dem Gesagten die Reihe der Künste ordnen, so scheint als ob bei der Baukunst, Bildkunst, Malerei, welche wir oben als Künste des Ge­sichts bezeichneten, die Anregung vorwiegend von aussen erfolgt, bei den Kün­sten des Gehörs dagegen: Musik, Sprachkunst, Poesie vorwiegend von innen.                                  (Gerber 1871-73/I:19).

 

 

Samenvattend kan men zeggen dat de relatie van de gesproken taal tot het panorama der kunsten bestaat in de vrije of creatieve mogelijkheden die taal de mensen biedt om grip te krijgen op zichzelf en de eigen ontplooiingsmogelijkheden. Taal biedt mensen in eerste instantie geen vastomlijnde kennis van de wereld,  maar van de eigen voorstelling, het eigen taalbeeld (Sprachbild). Dit proces is duidelijk geënt op Humboldts opvattingen over het werkelijke wezen van de taal als het voortbrengende of vormende element van het menselijk karakter.

 

4.  Conclusie

 

Men kan met betrekking tot het werk van Gerber het volgende zeggen over zijn verdienste voor de taalwetenschap in de negentiende eeuw:

 

1.      een taaltheorie kan taal slechts in relatie tot cognitieve, emotionele en praktische handelingen uitputtend beschrijven. Een theorie die een of meer van deze aspecten buiten beschouwing laat, is te allen tijde onvolledig. Ten tijde van het verschijnen van Gerbers werk was echter een interdisciplinaire benadering van taalverschijnselen niet aan de orde in de mainstream-taalwetenschap.

2.      Een studie van taalbetekenissen vooronderstelt een sprekend subject en zijn omgeving en is derhalve een domein van onderzoek naar taalontwikkeling en taalgebruik, zoals ook in Gerbers werken is te lezen. Pragmatisch onderzoek is nog niet zo erg lang een serieus onderzoeksterrein binnen de taalwetenschap.

 

Wellicht is Gerber het slachtoffer geworden van de toenemende specialisering in de taalwetenschap. In een tijde van interdisciplinair en pragmatisch onderzoek en de belangstelling voor de geschiedenis van deze vorm van onderzoek komen verschillende taalkundigen uit vorige eeuwen weer boven water. Wellicht rechtvaardigt toenemend interdisciplinair en pragmatisch onderzoek ook de nieuwsgierigheid naar de historische ontwikkelingen hiervan, zoals Nerlich/Clarke in hun book Language, Action and Context (1996) hebben laten zien. Met deze bijdrage hoop ik iets van deze fascinatie te hebben overgebracht bij de geïnteresseerde lezer.

 

 

5.  Geraadpleegde literatuur    

 

Bopp, Franz

1820                "Analytical Comparison of the Sanskrit, Greek, Latin, and Teutonic Languages, shewing the original identity of their grammatical structure". In: --- 1989: Analytical Comparison of the Sanskrit, Greek, Latin, and Teutonic Languages, shewing the original identity of their grammatical structure. Amsterdam, Philadelphia: John Benjamins [Newly edited, together with a bio-bibliographical account of Bopp by Joseph Daniel Guigniant, an introduction to Analytical Comparison by Friedrich Techmer, and a letter to Bopp by Wilhelm von Humboldt, by Konrad Koerner], 14-60.

 

Cloeren, Hermann J.

1988                                Language and Thought: German Approaches to Analytic Philosophy in the 18th and 19th Centuries. Berlin, New York: Walter de Gruyter.

 

Di Cesare, Donatella

1991                "Die Geschmeidigkeit der Sprache. Zur Sprachauffassung und Sprachbetrachtung der Sophistik". In: Peter Schmitter (ed.): Geschichte der Sprachtheorie 2. Sprachtheorie der abendländischen Antike. Tübingen: Gunter Narr, 87-118.

1996                “Hat Kant über die Sprache geschwiegen?”. In: Daniele Gambarara et al. (eds.): Language Philosophies and the Language Sciences. A Historical perspective in Honour of Lia Formigari. Münster: Nodus Publikationen, 181-200.

 

Gerber, Gustav

1852a              Programm 44894 1958: Programm der neu errichteten städtischen Real­schule zu Bromberg 1852-1872. Bromberg 1852 F. Fischer 4o

1852b              Programm Bzgt. Reg. [2979.1944]: Programm der neu errichteten städti­schen Realschule zu Bromberg 1852-1868. Bromberg 1852 F. Fischer 4o

1852c              R.28144.1903: Abhandlung über das Wesen der Real­schule. Bromberg 1852 /<...>/ Druck.v.F.Fischer 4o s.28 Bromberg, st. R, Programm 1852.

1854                R.28144.1903 PR.: Die Aufgabe der Realschule in erziehlicher Bezie­hung. Bromberg 1854 /<...>/ Druck.v.F.Fischer 4o s.40 Bromberg, st. R, Pro­gramm 1854.

1859a              Programm 44894 1958: Programm der städtischen Real­schule zu Brom­berg. Bromberg 1859. F. Fischer 4o s.16

1859b              R.28144.1903 Pr.: Rede <...>. Zur Erinnerung an die Feier der Einwei­hung des neuen Realschulgebäudes. Bromberg, st. R, Programm 1859.

1867                Programm 44954 1958: d. königl. Gymnasiums zu Brom­berg. Bromberg 1867 F. Fischer 4o s.52, 35, 23, 2.

1869                Programm 44954.1958: d. Königl. Gymnasiums zu Brom­berg 1869. Brom­berg 1869 F. Fischer

1871-73          Die Sprache als Kunst. Zwei Bände. Bromberg: Mitt­ler'sche Buchhand­lung [2. vol. 1874: Berlin: Gaertners Verlagsbuchhandlung; 1885: 2. Auflage; 1961: Unveränder­ter Nachdruck der 2. Auflage: Hildesheim etc.: Georg Olms].

1872                R.28144.1903 PR.: Rede am Geburtstag Sr. Majestät Königs. Bromberg 1872 /<...>/ Druck.v.F.Fischer 4o s.8. Bromberg, st. R, Programm 1872.

1877                R. 28144.1903 Pr.: Rede zur Feier des fünfund­zwanzigjährigen Stif­tungstages der Realschule in Brom­berg am 12. Mai 1876) 4o s.11. Bromberg, st.R, Programm 1877/132.

1884                Die Sprache und das Erkennen. Berlin: R. Gaertners Ver­lagsbuch­handlung.

1893               Das Ich als Grundlage unserer Weltanschauung. Berlin: R. Gaertners Verlags­buchhandlung.

 

Gerhardt, Volker

1992                Friedrich Nietzsche. Münster: C.H. Beck.

 

Guyer, Paul

1994                “Locke’s philosophy of language”. In: Vere Chappell (ed.): The Cambridge Companion to Locke. Cambridge etc.: Cambridge University Press, 115-145.

 

Henry, Victor

1885                “Recensie van Gerber 1871-73 en Gerber 1884 ”. Revue critique d’histoire et de littérature. Nouvelle série. 20, 269-275.

 

Hülzer-Vogt, Heike

1987                Die Metapher. Kommunikationssemantische Überlegungen zu einer rhetorischen Kategorie. Münster: Nodus Publikationen.

 

Humboldt, Wilhelm von

1797                "Schema der Künste". In: Andreas Flitner, Klaus Giel [eds.], 1981: Wilhelm von Humboldt. Werke in fünf Bänden. Vol. 5: Kleine Schriften, Autobiographisches, Dichtungen, Briefe, Kommentare zu den Bänden I-V. Darmstaft: Wissenschaft­liche Buchgesellschaft, 52-54.

 

Knobloch, Clemens

1986                "Zeichen und Bild bei Gustav Gerber und Ludwig Noiré. Ein Beitrag zur Geschichte der Semantikthe­orie im 19. Jahrhundert". In Klaus D. Dutz/Pe­ter Schmitter [eds.]: Geschichte und Geschichtsschrei­bung der Semiotik. Fallstu­dien. Münster: MAkS-Publikationen.

1988                Geschichte der psychologischen Sprachauffassung in Deutschland von 1850 bis 1920. Tübingen: Niemeyer.

 

McHoul, Alec

1996                “Kant’s pragmatics”. Journal of Pragmatics 25, 587-592.

 

Meijers, Anthonie

1987                "Gustav Gerber und Friedrich Nietzsche. Zum historischen Hintergrund der sprachphilosophischen Auffassungen des frühen Nietzsche". Publication of the Department of Epistemology and Philosophy of Science, Faculty of Philosophy Utrecht University 14, 1-45.

 

Nerlich, Brigitte & David D. Clarke

1996                Language, Action, and Context. The Early history of Pragmatics in Europe and America, 1780-1930. Amsterdam, Philadelphia: John Benjamins.

 

Samel, Wilfried

1992                "Bromberger Stiftungen und Schenkungen". Bromberg 34/98 (April), 12-15.

 

Schmidt, Siegfried J.

1968                Sprache und Denken als sprachphilosophisches Problem von Locke bis Wittgen­stein. Den Haag: M. Nijhoff [3. Kapitel: "Die verges­sene Sprac­hphilosophie des 19. Jahrhun­derts"].

1976                "German Philosophy of Language in the late 19th Century". In: Herman Parret, ed.: History of Linguistic Thought and Contemporary Linguistics. Berlin, New York: Walter de Gruyter, 658-684.

 

Schmitz, Klaus

1980                Geschichte der Schule. Ein Grundriß ihrer historischen Entwicklung und ihrer künftigen Perspektiven. Stuttgart etc.: W. Kohlhammer.

 

Senderowicz, Yaron & Marcelo Dascal

1997                “Language and Reason in Kant’s Epistemology”. Histoire Epistémologie Langage 19/1, 135-150.

 

Simon, Josef

1996                “Immanuel Kant (1724-1804)”. In: Tilman Borsche (ed.): Klassiker der Sprachphilosophie. Von Platon bis Noam Chomsky. München: C.H. Beck, 233-256.

 

Simonis, Hans

1959                Die Sprachphilosophie O.F. Gruppe's und G. Gerber's nach ihrer Bedeutung für die Erkenntnistheorie. Bonn Inaugural-Dissertation).

 

Stutterheim, Cornelis Ferdi­nand Petrus

1941                Het begrip metaphoor. Een taalkundig en wij­sgerig onderzoek. Am­sterdam: H.J. Paris [Dissertation Univer­sität von Amsterdam].

 

Tobler, Ludwig

1871                “Recensie van Gerber 1871”. Zeitschrift für Völkerpsychologie und Sprachwissenschaft 7, 418-447.

 

Vonk, Frank

1995                “The ‘vocal gesture’ from Wundt to Mead: A Chapter in the Historiography of the Psychology and Sociology of Language”. In: Kurt Jankowsky (ed.): History of Linguistics 1993. Amsterdam, Philadelphia: John Benjamins, 235-244.

 

Wundt, Wilhelm

19113              Völkerpsychologie. Eine Untersuchung der Entwicklungsgesetze von Sprache, Mythus und Sitte. Erster Band. Die Sprache. Aalen: Scientia Verlag [Nachdruck 1975].