Taalwetenschap, historiografie en de studie der levende talen 

 

Frank Vonk (Universiteit Utrecht)

 

Levende talen en taalwetenschap

 

De levende talen als dood objekt van taalwetenschappelijk onderzoek hebben in het licht van wetenschapstheoretische ontwikkelingen in de loop der eeuwen een wisselende belangstelling ondervonden. Schoolmeesters, eminente taalgeleerden (o.a. Jacob Grimm, 1785-1863, die de studie van grammaticale taalverschijnselen niet wilde beoefenen om wille van een praktisch nut - zo spreekt iedereen toch de eigen moedertaal zonder expliciete grammatikale kennis ervan -, maar om wille van zichzelf d.w.z. streng wetenschappelijk, vgl. Ivo 1989: 24) en goedwillende leken hebben zich met de studie der levende talen bezig gehouden en er wel iets verstandigs over gezegd.

     Maar wat is eigenlijk een levende taal en wat is het wetenschappelijk objekt van onderzoek van een levende talenstudie? Men zou in dit geval een uitspraak van Karl Brugmann (1849-1919) en Hermann Osthoff (1847-1909) in hun voorwoord tot de Mor­pho­logische Untersuchungen kunnen aanhalen, waarin ze o.a. stellen:

 

Die ältere sprachforschung trat, das kann niemand leugnen, an ihr unter­su­chungs­object, die indogermanischen sprachen, heran, ohne sich zuvor eine klare vorstellung davon gemacht zu haben, wie überhaupt menschliche sprache lebt und sich weiter­bildet, welche factoren beim sprechen thätig sind und wie diese factoren in gemein­samer arbeit die fortbewegung und umbildung des sprachstoffs bewirken. Man erforsch­te zwar eifrigst die sprachen, aber viel zu wenig den sprechenden menschen.

                                                                                            (Brugmann/Osthoff 1878 [1977]: 190)

 

voorafgaand aan een wetenschappelijke analyse van vormontwikkelingen, zo stellen Brugmann en Osthoff, moet men zich eerst maar eens op straat op het konkrete taalge­bruik richten dat fundamentele inzichten in ontwikkelingsfaktoren van taal kan opleveren. In hoeverre beide auteurs zich in hun Morphologische Untersuchungen ook bekommeren om een wat we nu synchrone benadering van taalverschijnselen noemen, laat ik hier buiten beschouwing.

 De vraag naar het onderzoeksobject en de noodzaak tot de studie der levende talen blijft hiermee nog steeds onbeantwoord. Is dat nog steeds een rijtje Franse bijvoeglijke naamwoorden die voor het zelfstandig naamwoord komen? Een Duits rijtje (of beter: vele Duitse rijtjes) met "afwijkende" meervoudsvormen, dat wil zeggen afwijkend van de hoofdregels? Of moet men in Duitsland, Spanje of Italië een brood dan wel een fles wijn kunnen bestellen? Maar is het in het laatste geval niet beter om de vakantie in het betreffende land door te brengen? Men zal in de praktijk sneller leren hoe men iets bestelt  dan wanneer dat door een duur betaald docent wordt gedaan in een weinig inspirerende collegeruimte. Bovendien lijkt het uit wetenschappelijk oogpunt niet bijster interessant om zich in een wetenschappelijke talenstudie druk te maken om hoe je iets bestelt, doet, zegt etc. in een andere taal, laat staan in de eigen (levende) taal. De kennis die je van het Duits, Engels, Spaans, Nederlands etc. op de middelbare school opdoet moet toch voor de geschetste doeleinden voldoende zijn?

     Maar wat is dan na het bovenstaande nog over de wetenschappelijke status en recht­vaardiging van de studie van levende talen? Bestaat er in het tijdperk van satellieten, intercontinentale contacten, tien tot twintig talen op de kleurentelevisie nog wel behoefte aan een studie van levende talen? Is dan niet toch veeleer het taalsysteem, dat wat aan het taalgebruik ten grondslag schijnt te liggen, de moeite waard om te worden bestudeerd en aan studenten in de levende talen te worden gedoceerd? Het gevaar is dan wel levensgroot dat leraren in de levende talen niet meer dan klonen van zichzelf genereren: je moet regels en uitzonderingen kennen en kunnen overdragen aan weer een nieuwe generatie slachtoffers van het vreemde talenonderwijs (VTO). "Slachtoffers" in die zin, dat een mogelijke belangstelling voor een levende taal en haar cultuur wordt opgeofferd voor een karkas - dat weliswaar een belangrijke functie heeft in het levende taalorganisme. Is het dan niet veel interessanter om na te gaan wat de dragers van een taalcultuur, de sprekers van talen, ertoe brengt de eigen of een vreemde levende taal - los van allerlei modieuze tendensen - te gaan bestuderen en tot voorwerp van wetenschappelijke reflectie te maken? Met andere woorden: zijn er konstante faktoren te onderkennen in de wisselende belangstelling voor talenstudies?

 

Taalleven en levende talen

 

Of moet men misschien toch deze praktische vragen en overwegingen verlaten en meer funda­mentele vragen gaan stellen? Bijvoorbeeld over vragen met betrekking tot de relatie van levende talen tot het wijdser en meer omvattende begrip "taalleven". Nu lijkt het in dit verband voor de hand te liggen om de levendigheid van taal af te meten aan de functies die zij in het alledaagse gebruik heeft (communicatieve functie van taal). Deze functies kunnen zich zowel grafematisch als fonematisch voordoen, m.a.w. geschreven of gesproken, en meer of minder abstrakt, dat wil zeggen situatiege- of ontbonden.

     In meer abstrakte zin veronderstelt een studie van de levende talen een studie van het taalleven, zoals hedentendage een gedegen studie van afzonderlijke talen die der beginse­len van de algemene taalwetenschap veronderstelt. Maar een duidelijke beschrijving van het begrip "taalleven", laat staan een functionele inbedding van dit begrip in de taalweten­schap lijkt nog ver weg. Des te meer lijken de levende talen alle aandacht voor zich op te eisen. Zo werd in Nederland in 1911 een vereniging van taalleraren opgericht onder de naam Vereniging van Leraren in Levende Talen met een eigen tijdschrift Levende Talen. Een van de oprichters was Etsko Kruisinga (1875-1944; vgl. van Essen 1983), toentertijd leraar Engels en Nederlands aan de Rijks-HBS te Amersfoort. Vereniging en tijdschrift bestaan nog steeds.

 

Historiografie en taalleven

 

Een door de opleving van de historiografie van de taalwetenschap rond 1970 - meestal een teken van een methodologische krisis binnen een bepaald wetenschapsgebied, ontstaan door een methodenpluralisme dat schreeuwt om een synthetiserende aanpak - begonnen inventarisatie van de verschillende methoden van taalwetenschappelijk onderzoek door de eeuwen heen heeft in eerste instantie geleid tot een belangstelling voor grammatikale tradities. Maar al naar gelang de eigen belangstelling kan deze verschuiven naar bijvoor­beeld pragmatische of sociolinguïstische ontwikkelingen. En zoals vaak kan men geen definitieve historiografische keuze maken voor het belang van een bepaalde linguïstische discipline, voor zover men bijvoorbeeld de geschiedschrijving van code-wisseling of van de expressieve functie van taal als een fundamentele bijdrage tot de linguïstiek beschouwt.

     Over grammatikale tradities vindt men reeds gedetailleerde informatie in studies aan het einde van de negentiende en begin twintigste eeuw (men vergelijke bijvoorbeeld Jellinek 1913 voor de Duitse grammatikale tradities; in Duitsland is het historisch besef overigens steeds van belang geweest om de plaats van het eigen onderzoek duidelijk te maken en van andersoortig onderzoek af te bakenen). Maar naast de systematische aanpak van het verschijnsel taal, dat sedert de Saussure als la langue in strukturalistische en generatieve modellen het algemeen taalwetenschappelijk denken lijkt te hebben gestuurd, is de rol van la parole, het taalgebruik, nauwelijks in haar historische context gesitueerd en heeft men zich nauwelijks om deze historische component bekommerd. Desalniettemin zijn in de negentiende en twintigste eeuw, buiten de officiële, historisch-komparatieve onderzoekmatrix aan universiteiten om, waardevolle inzichten over "taalleven" op papier gezet en deze geven vaak op een verrassende manier oplossingen voor "moderne" problemen op een fundamenteler niveau -  deze speurtocht door de eeuwen heen naar voorlopers van dit fundamentele onderzoek kan waardevolle inzichten opleveren zonder dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan hedendaags "synchroon" onderzoek naar de functie van taal in het taalleven.

     Het "taalleven" in het algemeen als voorwerp van taalwetenschappelijk onderzoek is, zoals men uit het voorafgaande al tussen de regels heeft kunnen lezen, in de negentiende eeuw een "heißes Eisen" (vergelijk de uitspraak van Brugmann en Osthoff hiervoor). Iedereen schrijft er direkt of indirekt over in de zin dat "het" taalleven uitgangspunt moet zijn voor empirisch onderzoek van taalverschijnselen. Maar niemand durft er zijn vingers aan te branden. In vrijwel heel Europa lijkt de academische status van historisch-vergelij­kend onderzoek, waarin men naarstig naar wetmatigheden in de ontwikkeling van afzonderlijke talen en taalfamilies zoekt, onaantastbaar. Akkoord, er wordt mondjesmaat iets over psychologische aspecten van taalontwikkeling en functies van taal geschreven, maar dat blijft grotendeels buiten de geëffende paden van het komparativisme en historisme van germanistisch en indogermanistisch onderzoek.

     Een van de recentelijk herontdekte "niet"-historische taalonderzoekers is Philipp Wegener (1848-1916). Deze voert in zijn Untersuchungen über die Grundfragen des Sprachlebens (1885) een aantal kernbegrippen in die later met name in deiktisch onder­zoek zijn terug te vinden - zo is er een duidelijke rol voor Wegener weggelegd in Karl Bühlers (1879-1963) taaltheoretische studies of in het werk van de Egyptoloog Alan H. Gardiner (1879-1963), The Theory of Speech and Language, dat "is dedicated to the memory of Geheimrat Professor Dr. Philipp Wegener a pioneer in linguistic theory" (vgl. voor Gardiner, Wegener en de pragmatische analyse van woorden en zinnen: Taylor (1988) en Knobloch (1991: xxxviii). Kennelijk hoort Wegeners onderzoek toch op het terrein van de linguïstiek ook al kan men zich ook afvragen wat Gardiner dan onder "linguïstiek" verstond en of er ook maar enig verband bestaat tussen "linguistic theory", "linguistics" en "linguïstiek"?

     Van belang voor zowel Bühler als Gardiner is de sociale achtergrond van alle taalge­bruik. Hierbij komt de "hoorder" in het centrum van de aandacht te staan, een fundamen­tele faktor in het taalleven, die vaak door de studeerkamergeleerde uit het oog wordt verloren:

 

Ein solches festes Verkehrsmittel [van konstante klankreeksen (woorden) die in een taalgemeenschap gelijksoortige associaties wekt - fv] kann sich nur durch lange Einübung bilden in einem stetigen Wechselverkehr, bei dem der Einzelne bald der Sprechende, bald der Hörende ist, bald dem Ambose, bald dem Hammer gleicht. Daher ist das Wesen aller Sprachen dialogisch, nicht monologisch. Das vergißt der einsam schriftstellernde Gelehrte, der an seinem Schreibtische wenigstens mit der Feder allein das Wort führt, gar zu leicht. Und doch sollte auch er sich stets eine bestimmte Hörerschaft bewußt halten, der er seine Gedanken vorträgt. Er würde dann vielfach verständlicher und lesbarer schreiben, jedenfalls nur so wird er in das Wesen der Sprache einzudringen fähig sein. (Wegener 1921: 1)

 

Hieruit blijk dat voor Wegener de luisteraar (toehoorder) of lezer een fundamentele faktor is in het ontdekken van het taalleven, dat als dialogisch wordt bestempeld, maar vaak niet als zodanig wordt begrepen. Het begrijpelijke in en aan taal voor spreker en luisteraar behoort noodzakelijk tot, is een essentieel onderdeel van een wetenschappelijke talenstu­die. Daartoe behoren ook het taalleven en de levende talen.

     Maar laten we ons hier uitsluitend beperken tot het "Sprachleben" en de verdere ontwikkeling van Wegeners opvattingen buiten beschouwing laten. Het taalleven zelf bestaat uit situaties die als zodanig noodzakelijk onderdeel van taalgebruik vormen (vgl. ook de recente studie van Schabracq (1991: 176), waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat "modellen van intermenselijke communicatie die zich alleen bezighouden met het uitwisselen van boodschappen en geen rekening houden met de noodzaak van een zelf aan te brengen gemeenschappelijke context, weinig bijdragen aan een beter begrip van communicatieprocessen"). Deze situaties zijn eveneens meer of minder aanschouwelijk en maken taal meer of minder overbodig. Men zou in een gegeven aanschouwelijke situatie kunnen volstaan met het wijzen naar of het met een of twee woorden ten opzichte van een luisteraar aangeven wat men bedoelt. Maar wordt de situatie, waarin taal wordt gebruikt onaanschouwelijker of komplexer dan heeft men meer woorden nodig om duidelijk te maken wat men bedoelt. Deze (abstrakte) situaties ontstaan, wanneer er bijvoorbeeld tijdens een telefoongesprek een ruimtelijke afstand tussen de gesprekspartners bestaat of tijdens een briefwisseling een tijdruimtelijke afstand.

     Het taalleven bestaat voor Wegener naast twee of meer gesprekspartners en situaties die meer of minder aanschouwelijk zijn uit de zogenaamd "Exposition", de term die Wegener in plaats van logisch subjekt - d.w.z. dat waarover iets wordt gezegd en wat niet het grammatikale subjekt hoeft te zijn, bijvoorbeeld in passieve zinnen - gebruikt: "Die Exposition dient dazu, die Situation klar zu stellen, damit das logische Prädicat verständ­lich wird" (Wegener 1885: 21). Als voorbeeld voor dit exposé-beginsel, dat nauw verbonden is met de aard van de situatie, geeft Wegener een mededeling uit een krant, waarin het volgende staat: "'Der Verein Concordia feiert am 7. Juni sein Stiftungs­fest im Saale der Vereiniging zu Berlin'" (Wegener 1885: 19). Een student reageert met "Stif­tungsfest im Saale der Vereinigung". Veel informatie wordt hier weggelaten. Maar zijn familie en medestudenten hebben deze informatie niet nodig. Het is bekend waar en wanneer het feest is.

     Een afzonderlijke studie van situaties kan derhalve bijdragen aan een juiste analyse van taaluitingen - zoals dat ook al voor bepaalde stijlfiguren (metonymie) en syntaktische eigenaardigheden (interjekties en ellipsen) geldt. Uit de situatie wordt een aktiviteit duidelijk, waarop een bepaald (logisch) predikaat van toepassing is. Daarnaast wordt in de situatie duidelijk wie de gesprekspartner is en welke stand van zaken in de taaluiting wordt uitgedrukt: "Die durch die umgebenden Verhältnisse und die Gegenwart der an­ge­re­deten Person gegebene Situation kommt uns durch die Anschauung zum Be­wußt­sein, wir nennen sie daher die Situation der Anschauung" (Wegener 1885: 21). Van deze aanschouwelijke situatie kan worden geabstraheerd, men kan bijvoorbeeld een beroep doen op de herinneringen van iemand of op zijn bewustzijn van iets. Deze opvatting over de functie van de situatieve handeling voor de interpretatie van woorden en zinnen, een opvatting die vrijwel identiek is aan die van Gardiner:

 

Speech acts are seen to be dependent on the situation on which they are uttered and thus may not be studied independently of those situations. [...]. The study of speech must then be a study  of how it is possible for two people to communicate about a particular state of affairs in a given situational context. It must begin with the analysis of particular speech events and proceed from there to more general principles of speech and then language. (Taylor 1988: 136/7)

 

De studie van het taalgebeuren of taalleven, van spreek- en handelingssituaties in konkrete en abstrakte zin en de interpretatie van die situaties door luisteraars (toehoorders) als aktieve faktoren in hun konstitutie, moet volgens Gardiner en Wegener vertrek­punt zijn voor een linguïsti­sche theorie. Ook taalhandelingen worden pas begrepen in de wat Austin illokutionaire rol ervan noemt - niet in een bepaald type taalhandeling. Wanneer daarbij de vier situatie-bepalende faktoren (luisteraar, spreker, bedoeld objekt en linguïstische middelen om een beoogd doel te bereiken of van een beoogd objekt iets te zeggen) serieus worden genomen, kan men het begrip "linguïstische theorie" in haar fundamentele levendigheid vatten. Een studie van het situationele en contextuele taalleven serieus nemen, betekent taalwetenschap serieus nemen:

 

[...] Wegener's Untersuchungen ought to be required reading for any linguist or psychologist who has not become completely insensitive to the ubiquitous traces of communicative action in language structure. Combined with the body of knowledge established by cognitive psycholinguistics of our days, Wegener's communicative approach could well become a proper and useful antidote to the linguistic bias in modern psycholinguistics. It might also serve to counterbalance the tendency of a one-sided and indeed shortsighted, purely cognitive interpretation of laqnguage structure towards a multi-facetted approach.                                                            (Knobloch 1991: xliii)

 

Situatiekunde als onderdeel van de linguïstiek lijkt op basis van het voorafgaande mede een noodzakelijk onderdeel, en wellicht een wetenschappelijke rechtvaardiging van een studie in de levende talen.

 

Literatuur

 

Brugmann, Karl / Hermann Osthoff

1878"Vorwort zu Morphologischen Untersuchungen I". In: Hans Helmut Christmann [ed.] 1977: Sprachwissenschaft des 19. Jahrhunderts. Darmstadt: Wissenschaftli­che Buchgesellschaft.

 

Elffers, Els

(t.p.)"Philipp Wegener as proto-speech act theorist". Lezing TIN-dag 16.1.1993 in Utrecht.

 

Essen, A.J. van

1983E. Kruisinga. A Chapter in the History of Linguistics in the Netherlands. Leiden: M. Nijhoff.

 

Gardiner, Alan H[enderson]

1932The Theory of Speech and Language. Oxford: Clarendon Press [21951].

 

Ivo, Hubert

1989"Blick zurück nach vorn. Zum Verhältnis von »Wissenschaftlichkeit« und »Praxisbezug« -am Beispiel der Professionalisierung der Sprachdidaktik". In: Jürgen Förster et.al. [eds.]: Wozu noch Germanistik? Wissenschaft - Beruf - Kulturelle Praxis. Stuttgart: J.B. Metzler.

 

Jellinek, Max Hermann

1913Geschichte der neuhochdeutschen Grammatik von den Anfängen bis auf Adelung. Heidelberg: Carl Winter.

 

Knobloch, Clemens

1988Geschichte der psychologischen Sprachauffassung in Deutschland von 1850 bis 1920. Tübingen: Niemeyer.

1991"Introduction". In: Wegener (1985: xi-li).

 

Nerlich, Brigitte

1990Change in Language. Whitney, Bréal, and Wegener. London, New York: Routledge.

 

Schabracq, Marc

1991De inrichting van de werkelijkheid. Over de relatie tussen situaties en personen. Meppel, Amsterdam: Boom.

 

Taylor, Talbot J.

1988"Alan Gardiner's The Theory of Speech and Language: Empiricist Pragmatics". In: Roy Harris [ed.]: Linguistic Thought in England 1914-1945. London: Duckworth.

 

Wegener, Philipp

1885Untersuchungen über die Grundfragen des Sprachlebens. Halle: Max Niemeyer [21991 Amster­dam, Philadelphia: John Benjamins; newly edited with an introduc­tion by Clemens Knobloch by Konrad Koerner].

1921"Der Wortsatz". Indogermanische Forschungen 39: 1-26 [postuum gepubliceerd].