Vergelijkende en algemene taalwetenschap in Utrecht: een overzicht[1]

 

Frank Vonk (Universiteit van Utrecht)

 

 

0.Inleiding

 

0.1Institutionele aspecten van algemeen taalwetenschappelijk onderzoek in Nederland

 

De studie algemene taalwetenschap werd met het Academisch Statuut van 1921[2] een officieel onderdeel van het curriculum van de talenstudies aan Nederlandse universiteiten. Tevens werden met dit Statuut, voor wat de letterenfaculteiten aan de Nederlandse universiteiten betreft, programmatisch ook nog de Franse, Duitse en Engelse taal- en letterkunde als afzonderlijke studierichtingen een feit. In de moderne (vreemde) talen  werd in de kandidaatsfase algemene taalwetenschap als vast onderdeel ingevoerd. Dit onderdeel werd gekoppeld aan het Gotisch (binnen de studierichting Germaanse en Nederlandse taal- en letterkunde), het Kerkslavisch of Oudbulgaars (bij Slavische talen) of het Vulgairlatijn (bij Frans). Slechts voor de klassieke talen werd algemene taalwetenschap een apart onderdeel van het kandidaatsexamen (vgl. Hoogeronderwijswet 121937: 227ff.). Groen (1988: 159f.) schrijft in zijn overzicht van het wetenschappelijk onderwijs in Nederland van 1815 tot 1980 met betrekking tot de ontwikkeling van algemene taalwetenschap als doctoraalstudie:

 

Er worden in 1921 een drietal doctoraalstudies in het statuut opgenoemd, namelijk die in de algemene taalwetenschap, die in de vergelijkende Indogermaanse taalwetenschap, en die in de vergelijkende taalwetenschap van een andere taalfamilie. De eerste doctoraalstudie is toegankelijk voor bezitters van een willekeurig kandidaatsdiploma van taal- en letterkundige aard, de andere twee kennen beperkingen in de taal: de tweede doctoraalstudie is toegankelijk voor bezitters van een kandidaatsdiploma in een Indogermaanse taal, en de derde van een diploma uit de betreffende taalgroep.

In 1969 is de omschrijving nog dezelfde, met de aantekening [...] dat 'indogermaans' door 'indo-europees' vervangen is. In 1967 [...] werd een doctoraalstudie algemene literatuurwetenschap in het statuut opgenomen, met als grondslag een kandidaatsdiploma in enige taal- en letterkunde.

De subfaculteit, die in 1963 die der 'algemene en vergelijkende taalwetenschap en der theoretische en vergelijkende literatuurwetenschap' genoemd was, wordt dan herdoopt tot die der 'algemene en vergelijkende taalwetenschap en der algemene literatuurwetenschap.

 

Opmerkelijk is, dat Groen in zijn overzicht onder het hoofd "Algemene Taalwetenschap" ingaat op de inrichting van leerstoelen voor de moderne talen, en de Indogermanistiek, maar niet aangeeft, waarom op een gegeven moment leerstoelen voor algemene taalwetenschap werden ingericht. Ik parafraseer: om financiële redenen werd universitair onderwijs in de moderne vreemde talen van overheidswege als niet-wetenschappelijk bestempeld. Bovendien zouden aparte leerstoelen voor Frans, Duits en Engels precedenten scheppen voor leerstoelen in andere talen. Dit duurde tot 1876 toen "aan tenminste één universiteit [franse, engelse en hoogduitse taal- en letterkunde] gedoceerd konden worden" (Groen 1988: 177), maar dan wel door één persoon. Echter, in navolging van W. von Humboldts taaltypologische of stamboomstudies waren de taalkundigen in Nederland geleidelijk tot het inzicht gekomen dat taalverwantschapsstudies in binnen- en buitenland een uitsplitsing behoefden naar verschillende talen (en specialisten daarvoor). In Leiden werd reeds in 1864 in deze behoefte voorzien door de aanstelling van J. Kern als hoogleraar Indo-Germaanse talen.[3] In Groningen was Barend Symons (1853-1935), de latere hoogleraar Indogermaanse en Germaanse talen aan de Rijksuniversiteit (1881-1924), op basis van deze belangstelling voor taalverwantschapsstudies tot de conclusie gekomen, dat de enige manier leerstoelen in de moderne (vreemde) talen van overheidswege gefinancierd te krijgen die is dat men aansluiting zoekt bij de historisch-vergelijkende taalkunde.[4] Wellicht is hiermee ook een precedent gegeven voor het ontstaan en de ontwikkeling van algemene taalwetenschap als vergelijkende taalwetenschap.

     Groen (1988: 178) besluit na een overzicht over de verwikkelingen van de indogermaanse en sanskrit-studies aan de Nederlandse universiteiten dan toch met een zin die aan algemene taalwetenschap is gewijd: "De algemene taalwetenschap valt overigens niet (meer) samen met de historisch vergelijkende methode. Zie voor een inleiding in de moderne taalwetenschap of linguïstiek Dik/Kooij (1977)".[5]

 

0.2Algemene Taalwetenschap in Nederland: een inventarisatie

 

     Uit het bovenstaande komt echter al wel direkt naar voren dat algemene taalwetenschap in het licht van de traditioneel Duitse historisch-vergelijkende taalwetenschap werd gezien en moest worden beoefend. Dat betekent in de praktijk dus niet of nauwelijks een verandering van de taal- en talenstudies. Deze interpretatie van algemene taalwetenschap als een verlengstuk van de vergelijkende taalwetenschap wordt o.a. door Stutterheim in zijn Herinneringen van een oude taalonderzoeker (1988) en door Reichling in zijn oratie Wat is Algemene Taalwetenschap (1947) gegeven. Stutterheim schrijft:

 

Het universitaire onderwijs was in het Academisch Statuut van 1921 wettelijk geregeld. Hierin werd als een der onderdelen van het kandidaatsexamen in de Nederlandse (ook in de Duitse en Engelse) taal- en letterkunde vermeld 'het Gotisch en in verband daarmee de algemeene taalkunde' [taalwetenschap - fv]. Dat hier de historisch vergelijkende grammatica van het indogermaans algemene taalkunde wordt genoemd, is kenmerkend voor een bepaalde opvatting. In de negentiende eeuw is in ons land en elders strijd gevoerd over het wezen van de taalwetenschap. Hoe moest die zijn, synchronisch of diachronisch? Deze strijd wordt in de twintigste eeuw nog tientallen jaren voortgezet. Blijkbaar was de anonymus die voor de genoemde sinds lang niet meer aanvaardbare identificatie aansprakelijk gesteld moet worden een 'diachronicus'. Het spreekt vanzelf dat de officiële formulering ons, nederige neerlandici-in-wording niet tot denken over de kwestie aanspoorde. Wat in verband met Gotisch werd gedoceerd hebben we nooit algemene taalwetenschap genoemd.                                                                                                                  (Stutterheim 1988: 5)

 

Ook Reichling gaat uitvoerig in op de studie der "algemene taalwetenschap". In zijn oratie in 1947, "Wat is Algemene Taalwetenschap", laat Reichling zien, waarin de moderne opvatting van algemene taalwetenschap zich onderscheidt van de traditionele opvatting van taal- en talenstudies. Algemene Taalwetenschap heeft in het verleden tot een groot aantal problemen geleid, die met name voortkwamen uit de opvatting dat taal in relatie tot het denken werd gezien. Vooral de taalfilosofische bespiegelingen van Von Humboldt in diens Kawi-Einleitung (Ueber die Verschiedenheit des menschlichen Sprachbaues und ihren Einfluss auf die geistige Entwicklung des Menschengeschlechts van 1836) hebben veel kapot gemaakt met het oog op een zelfstandige ontwikkeling van de algemene taalwetenschap. Voor Humboldt immers was een algemene taalstudie hoofdzakelijk bedoeld om inzicht te verkrijgen in de werking van de "allgemeine menschliche Geisteskraft" (Reichling 1947: 9). Maar deze esthetisch, filosofisch en antropologisch gefundeerde taal- en talenstudies gaan er vanuit dat algemene taalkunde "haar princiepen [terugvoert] op een realiteit die méér omvattend is dan de taal" (Reichling 1947: 10), een van de cruciale problemen, waarmee de taalwetenschap in de 19de en 20ste eeuw heeft geworsteld. Schrijnen, zo Reichling, trachtte nog in 1917 in zijn Handleiding een compromis te vinden tussen intern- of autonoom en extern- of heteronoom linguïstische beginselen die de algemene taalwetenschapsbeoefening bepaalden: "hij eiste van de Algemene Taalwetenschap dat zij èn algemeen historisch vergelijkende taalwetenschap èn onderdeel der algemene en sociale psychologie en der cultuurgeschiedenis zou zijn" (Reichling 1947: 11). De echte taalwetenschap en de bewustwording van haar algemeenheid begon volgens Reichling met Georg von der Gabelentz (1840-1893) en diens Sprachwissenschaft. Hij beschreef taal als een "systeem, waarbinnen alle delen organisch met elkaar samenhangen en werken" (Reichling 1947: 11f.). Met name het accent dat Von der Gabelentz op de inductieve methode van taalwetenschappelijk onderzoek legt, bevalt Reichling. In zijn kritiek op De Saussure stelt hij, dat weliswaar de onderzoeksresultaten intuïtief juist zijn, maar de wijze waarop De Saussure deze heeft gekregen deugt geenszins: taal ("la langue") is als voorwerp van onderzoek nimmer direct gegeven in het bewustzijn van de sprekers. Het taalsysteem moet juist inductief worden verkregen uit een "juiste analyse van het taalgebruik, van datgene, wat de Saussure noemt ,la parole'" (Reichling 1947:14). Uiteindelijk bepaalt Reichling de doelstelling van algemene taalwetenschap als algemene taalwetenschap dan ook als een inductief bepalen, opsporen en definiëren van de algemene categorieën van taalverschijnselen en de algemene factoren die het bestaan van die categorieën bepalen, de bepaling van de verhouding van de algemene categorieën tot alle bijzondere of taalspecifieke categorieën van taalverschijnselen en het bepalen van de algemene factoren die het bestaan en de verandering van bijzondere categorieën van taalverschijnselen mede beheersen (vgl. Reichling 1947: 19).

 

     Maar noch uit Reichlings overzicht, waaruit blijkt dat eigenlijk niemand in Nederland rond 1920 zich van de "ware eigen aard" van algemeen taalwetenschappelijk onderzoek bewust was, noch uit Stutterheims weergave van de inhoud en betekenis van het vak algemene taalwetenschap blijkt wie om welke redenen tot de aanvulling van het bestaande regelingen van het hoger onderwijs heeft of hebben aangedrongen. Wel lijkt het voor de hand te liggen dat één of meer ook politiek invloedrijke Nederlandse taalkundigen tussen 1910 en 1920 deze hebben voorbereid.

     Enkele namen die men onder voorbehoud zou kunnen noemen zijn Jac. van Ginneken, Jos. Schrijnen en J. Huizinga. Jacobus Joannes Antonius van Ginneken (1877-1945) was was echter pas sedert 1923 hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde en vergelijkende [N.B.!] indogermaanse taalwetenschap aan de pas opgerichte Katholieke Universiteit in Nijmegen - nadat eerdere voordrachten, o.a. in Amsterdam, waren stukgelopen. In elk geval verzorgde Van Ginneken vanaf 1916 (tot 1927) met tussenpozen in het Indogermanisches Jahrbuch de afdeling "Allgemeine Sprachwissenschaft", waarin hij, qua ruimte beknot door de redactie van het tijdschrift, een aantal korte maar kenmerkende typeringen van algemeen taalwetenschappelijke publicaties liet verschijnen. Opmerkelijk detail is, dat in zijn eerste bibliografie "Allgemeine Sprachwissenschaft" uit het jaar 1916 (Van Ginneken 1917: 22f.) het eerstgenoemde werk onder het hoofd "Theorie und Methode" De Saussures Cours is - met Kluyvers bespreking (zie "Supplement B") een van de eerste besprekingen van dit werk. Van Ginneken sluit zich in zijn kritische bespreking bij Schuchardt aan wat betreft zijn kritiek op De Saussures onderscheiding van "langue" en "parole": "Die Sprache selbst besteht in einem ewigen Geschehen" (Van Ginneken 1917: 23; vgl. ook Thilo 1989: 124f.; voor een weergave van de tekst vergelijk "Supplement A").[6] Voorts was hij met zijn Principes de linguistique psychologique (1907) "wereldberoemd" geworden - ook al reikte de taalwetenschappelijke "wereld" rond 1910 niet veel verder dan het continent en een handjevol taalgeleerden in de Verenigde Staten.

     Maar ten minste een drietal argumenten spreken tegen Van Ginneken als "anonieme" initiator van de studie algemene taalwetenschap als vast onderdeel van de talenstudies. Ten eerste moet men zich bij het hiervoor gegeven citaat van Stutterheim afvragen of deze echt niet zou hebben geweten of zou hebben kunnen weten dat Van Ginneken bij de invoering van algemene taalwetenschap een belangrijke rol had gespeeld. Ten tweede wijst niets in de (on-)volledige bibliografie in de Mélanges uit 1937 op de anders schriftelijk toch zo nadrukkelijk aanwezige Van Ginneken - ik herinner aan de pennestrijd in de jaren dertig over de spellinghervorming. Een derde, belangrijker argument acht ik mede in het kader van de opmerkingen van Stutterheim en Reichling de opvatting van (de vroege) Van Ginneken over de inhoud van een mogelijk studie-onderdeel algemene taalwetenschap. Deze zou gezien het karakter van zijn Principes de linguistique psychologique zeker niet in het verlengde liggen van de historisch-vergelijkende denkbeelden van de "Junggrammatiker". J. Wils schrijft in zijn In Memoriam:

 

The principal advance is that here [in de Principes - fv] linguistic facts were examined and dissected strictly causally. And behind the primary causes even deeper ones were seen. This meant a complete rupture with the analysis of the "Neo-Grammatiker", which had been purely pragmatic and more or less atomic.   

                                                                                                                                                                                                               (Wils 1948: 133f.)[7]

 

Meer overtuigend dan Wils weergave acht ik het verband dat Van Ginneken in zijn onderzoek legt tussen psychologisch, sociologisch en taalonderzoek en dat in tegenspraak is met de uitgangspunten van de neogrammatici. Deze erkenden wat betreft het psychologische gedeelte weliswaar een zekere relatie tussen psyche en taal, maar deze was in de vorm van het analogiebeginsel (Wilhelm Scherers (1841-1886) "Formübertragung") niet het basisprincipe van taalwetenschappelijk onderzoek. Laat staan dat men expliciet op zoek was naar de rol van psychische processen in de taalontwikkeling.[8]

 Dat dan toch vooral psychologische inzichten in de ontwikkeling van taal en spreken een rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van de algemene taalwetenschap (ik denk in dit verband aan de "herontdekking" van Von Humboldt tegen het einde van de negentiende eeuw, het neo-idealisme of de ontwikkeling van de experimentele psychologie en de sociale- en "Völker"psychologie in het laatste kwart van de negentiende eeuw) lijkt weliswaar voor de hand te liggen.[9] Maar dat "de" psychologie het "vak" algemene taalwetenschap zou hebben voortgebracht, lijkt minder waarschijnlijk. Zeker wanneer men juist de verzelfstandiging, de eigenwettelijkheid (zoals Reichling het in 1947 zou noemen) of de autonome status van algemene taalwetenschap in ogenschouw neemt.[10] En juist wat betreft het object en de methode van algemeen taalwetenschappelijk onderzoek heeft met name De Saussure een aantal waardevolle, maar discutabele onderscheidingen aangedragen, die echter, zoals blijkt uit de Saussure-"Rezeption" in Utrecht, echter pas veel later als zodanig werden erkend.

     Maar welke behoefte bestond er dan concreet aan algemene taalwetenschap, in het bijzonder met het oog op de bestaande en onder de vlag van algemene taalwetenschap beoefende vergelijkende taalwetenschap? Ofwel: wat was er mis met de traditionele taalkunde? En welke veranderingen in methode en voorwerp van onderzoek vonden plaats tegenover de traditionele historisch-vergelijkende taalkunde? Het reeds genoemde streven naar een autonome wetenschap, los van andere wetenschappen, zal bij de beantwoording een fundamentele rol spelen.[11]

 

1.De voorgeschiedenis in Duitsland en Frankrijk

 

Voordat ik deze vragen in het licht van de Utrechtse taalkunde tussen 1920 en 1960 zal trachten te beantwoorden wil ik proberen om in grote lijnen enkele ontwikkelingen van algemeen taalwetenschappelijk onderzoek in de ons omringende landen voor 1921 weer te geven. Mede omdat de begrippen "algemene taalwetenschap", "allgemeine Sprachwissenschaft", "linguistique générale" of het "algemene" in verband met grammatica (zo bij de Franse taalkundigen/filosofen van Port-Royal en in Duitsland bij Johann Severin Vater (1772-1826) en Karl Ferdinand Becker (1775-1849)) al veel eerder werden gehanteerd en deze concepten ook in Nederland bekend waren. Waar het uiteindelijk om gaat is de bepaling van de inhoud en de methode van Nederlands taalwetenschappelijk onderzoek in een bredere, Europese context.

     Zo is in Duitsland als sedert Wilhelm von Humboldt (1767-1835) sprake van een "allgemeines Sprachstudium". Zo richtte bijvoorbeeld in 1880 Friedrich Techmer (1843-1891) een Internationale Zeitschrift für Allgemeine Sprachwissenschaft (1884-1890) op, dat echter na vijf kloeke delen in 1890 verdween, nadat de redacteur was overleden. Men kan zich nu echter afvragen of hier inderdaad onder algemene taalwetenschap werd verstaan, wat sedert 1921 in Nederland hieronder werd verstaan. Koerner wijst er in zijn "essay" uit 1973 over het belang van Techmers Zeitschrift op, dat met name in het eerste deel een uitvoerige "Einleitung in die allgemeine Sprachwissenschaft" door August Friedrich Pott (1802-1887), medewerker aan het tijdschrift en met name bekend door zijn etymologische studies en zijn tweedelige werk over Wilhelm von Humboldt, was opgenomen, waarin een aantal zeer Saussureaanse denkbeelden waren opgenomen.[12] Echter veel studies zijn talenstudies (taalverwantschapsstudies of studies van afzonderlijke exotische talen), klankfysiologische onderzoekingen (o.a. van Techmer zelf). Zo onderscheidt Techmer in zijn "Vorbemerkungen des Herausgebers" ter oriëntatie voor mogelijke contribuanten aan zijn tijdschrift een drietal aspecten aan taalwetenschappelijk onderzoek: een natuurwetenschappelijke, een psychologische en een historische kant. Maar ten opzichte van het onderzoeksgebied van de historisch-vergelijkende taalkunde bevat dit programma nauwelijks aanwijzingen voor een radicale verandering. "Allgemeine Sprachwissenschaft" is, zo lijkt het, meer een parapluterm voor de door Techmer geconstateerde veelheid aan taalwetenschappelijke activiteiten. Maar over "Allgemeine Sprachwissenschaft" spreekt Techmer verder niet, laat staan dat hij een eigen programma, los van onderdelen uit de historisch-vergelijkende taalwetenschap, ontwikkelt. Wellicht was het ook nog te vroeg voor een algemeen theoretische bestandsopname van het brede veld van taalwetenschappelijk onderzoek. Maar ook zo'n vijfentwintig jaar later nog treft men bijvoorbeeld bij P. Wilhelm Schmidt S.V.D. (1868-1954) een duidelijke affiniteit van algemene taalwetenschap met taalvergelijkende studies aan:

 

Die Aufgabe und das Ziel der allgemeinen Sprachwissenschaft besteht darin, möglichst alle Sprachen zu untersuchen und zu vergleichen, um aus dieser Vergleichung die Gesetze der Entwicklung nicht bloß bestimmter Sprachgruppen, sondern der menschlichen Sprache überhaupt, abzuleiten. Es ist klar, daß solche allgemeingültigen Gesetze nicht aus der Betrachtung einer einzelnen oder einiger weniger Sprachgruppen gewonnen werden können, so reich entwickelt, so historisch bedeutungsvoll und so geographisch umfassend diese Sprachen im übrigen auch sein mögen.

                                                                                                                                                                                             (Schmidt 1914: 1559)

 

Duidelijke wetenschapstheoretische uitgangspunten die uitstijgen boven het in voornoemd citaat doorschemerende natuurwetenschappelijk georiënteerde onderzoeksparadigma van de vergelijkende taalkunde ontbreken ook hier.

     Het ligt, gezien het tijdstip en de geografische herkomst, dan ook meer voor de hand dat algemene taalwetenschap onder invloed van Ferdinand de Saussures (1857-1913) Cours de linguistique générale (in 1916 postuum door Ch. Bally en A. Sechehaye samengesteld en gepubliceerd) ingang vond in de talenstudies. En inderdaad vindt men al direkt na verschijning van de Cours een recensie van A. Kluyver, de Groningse hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde in Groningen in het tijdschrift Museum. In deze recensie - die in 1922 werd gevolgd door een tweede - wordt echter nauwelijks op de theoretische implicaties van het werk ingegaan. Kluyver bespreekt enkele begrippen, maar zegt niets over een veranderde beschouwingswijze in de Cours met betrekking tot taalwetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld het "langue"-begrip en de "linguistique synchronique" versus "linguistique diachronique".[13] Maar opvallend is dat vooralsnog De Saussures werk geen direkte werking in Nederland lijkt te hebben gehad. Een schrijnend voorbeeld is dat de eerste Nederlandse hoogleraar voor algemene taalwetenschap, Jos. Schrijnen, in zijn Rede De Saussure niet noemt, maar wel diens Parijse student Antoine Meillet, die in navolging van Émile Durkheim (1858-1917)  het buitenindividuele "sociale feit" (Schrijnen 1921: 3) heeft opgepakt en vruchtbaar heeft gemaakt voor de taalkunde. Schrijnen sluit zich bijvoorbeeld in zijn Rede direkt bij Meillet aan: "De taal is een produkt van de menschelijke samenleving; wording en voor een groot deel vervorming van taal wortelen in de gemeenschap" (Schrijnen 1921: 4).

     Men zou nu gemakkelijk kunnen concluderen dat Saussures Cours nauwelijks een rol gespeeld heeft bij de ontwikkeling van algemene taalwetenschap in Nederland. Maar dat zou dan ook betekenen dat het begrip "algemene taalwetenschap" juist niet haar oorsprong in Saussures Cours zou hebben gehad? En is inderdaad niet ook veeleer Saussures denken in de late jaren twintig en begin jaren dertig via de verschillende regionale structuralismen in de Duitse wetenschappelijke periferie in de (Nederlandse) taalwetenschap binnengehaald? Ik denk hier dan vooral aan de door Nikolai Trubetzkoy's fonologische systeemstudies geïnspireerde fonetisch-fonologische bijdragen van A.W. de Groot aan de Travaux du Cercle Linguistique de Prague en De Nieuwe Taalgids (De Groot 1931a; 1931b). Daar komt ook nog eens bij dat sedert de kritische editie van Engler vraagtekens zijn gezet bij de werkwijze van Bally en Sechehaye, d.w.z. bij de redactie van de Cours. Met name Ludwig Jäger heeft hier in zijn dissertatie uit 1975 op gewezen. Maar men moet ook hier realistisch blijven. Men kan eenvoudigweg niet voorbij gaan aan het feit, dat het de Cours is geweest die eventueel in de ontwikkeling van de algemene taalwetenschap in Nederland een rol heeft gespeeld. De Cours van Bally en Sechehaye heeft het Saussure-beeld tot voor kort bepaald en bepaalt het voor historiografen van de taalwetenschap nog steeds!

     Vóór het verschijnen van de Cours, maar geïnspireerd door Saussures colleges in Parijs,[14] maakte Antoine Meillet in 1906, in zijn openingscollege over vergelijkende grammatica aan het Collège de France, een niet mis te verstane opmerking over de taalwetenschapsbeoefening in zijn tijd: men heeft de geschiedenis van talen te zeer als doel en te weinig als middel in taalwetenschappelijk onderzoek gezien. Weliswaar schrijft Meillet dat taalwetenschappelijk onderzoek moet streven naar een zo volledig mogelijke beschrijving van de ontwikkelingswetten. Maar taalverandering, in tegenstelling tot de "latere" opvatting van De Saussure, kan niet slechts intern-linguïstisch worden verklaard. Zij moet sterk rekening houden met de structuur van de gemeenschap of maatschappij. Klankwetten en morfologie, thema's van intern-linguïstisch onderzoek, vormen met het psychisch functioneren van de taal-spraak-gebruikers slechts de al tientallen jaren bekende constante momenten van de taalontwikkeling. Het enige variabele en volgens Meillet taalontwikkeling bepalende gegeven bestaat in de zich veranderende maatschappelijke omstandigheden, waarin taal wordt gebruikt. Zo gaan ook de grootmeesters van de Duitse taalkunde als Hermann Paul (1846-1921) bij Meillet over de knie:

 

Die Sprache ist nun in besonderem Maße ein gesellschaftliches Faktum. Man hat oft wiederholt, daß die Sprachen nicht außerhalb der sprechenden Subjekte existieren und daß man folglich nicht berechtigt ist, ihnen eine autonome Existenz, ein eigenes Wesen zuzuerkennen. Das ist eine evidente Feststellung, aber sie ist, wie die meisten evidenten Sätze, ohne Belang. Denn wenn die Realität einer Sprache auch nichts Substantielles ist [blijkbaar haar maatschappelijke verschijningsvorm - fv], so existiert sie deswegen doch nicht minder. Diese Realität ist zugleich sprachlicher und gesellschaftlicher Natur.                                                                                                          (Meillet 1906: 331).

 

Ik moet echter toegeven dat Meillet hier niet geheel recht doet aan Pauls denkbeelden - die zich kennelijk onderscheidt door een ander maatschappijbeeld. Voor Paul is taalwetenschap cultuurwetenschap. Elke cultuurwetenschap is maatschappijwetenschap en dus is ook taalwetenschap maatschappijwetenschap (Paul 1880: 7). Pauls "maatschappij" is in vergelijking met Meillets maatschappij-opvatting meer atomair van aard. Meillet gaat uit van het gegeven dat taal als maatschappelijk verschijnsel bestaat, een realiteit is, en zich in maatschappelijk verband ontwikkelt. Zijn uitgangspunt is:

 

daß eine Sprache einer festumrissenen Menge von sprechenden Subjekten angehört, daß sie das Kommunikationsmittel zwischen den Mitgliedern ein und derselben Gruppe ist und daß es nicht in der Macht irgendeines Gruppenmitglieds steht, sie zu modifizieren; die Notwendigkeit, verstanden zu werden, erlegt allen Sprechern die Aufrechterhaltung der größtmöglichen Identität im sprachlichen Gebrauch auf; [...].

                                                                                                                         (Meillet 1906: 331)

 

Met betrekking tot Meillets visie zou men echter wel de (in Nederland veel gestelde) vraag kunnen herhalen, of op deze manier de roep om een autonome taalwetenschap met een eigen methode en voorwerp van onderzoek niet weer teniet wordt gedaan? Taalwetenschap als taalgeschiedenis zou immers per definitie sociologisch van aard zijn en worden gereduceerd tot haar maatschappelijke verschijningsvorm. Om op deze problematiek in te gaan zou hier echter te ver voeren.

 

2.Taalwetenschap in Utrecht tot 1921

 

Sedert 9 juli 1903 was Jan Marius Hoogvliet (1860-1924) privaatdocent in de Scandinavische talen aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Noordegraaf (1988) wijst in zijn studie over Hoogvliet en Ginneken reeds op het zogenaamde "uniformitarian principle", dat aan de linguistische opvattingen van Hoogvliet ten grondslag ligt: deze zijn reeds in Grondbeginselen der Algemeene of Univerzeele Spraakleer. Bestemd om als grondslag te dienen voor de wetenschappelijke studie van doode en levende, Indo-europeesche en niet-Indo-europeesche talen (1895), een voorstudie op zijn werk Lingua. Een beknopt leer- en handboek van Algemeene en Nederelandsche taalkennis (1903; beide gerecenseerd door Kluyver), geformuleerd. Alleen de taalwerkelijkheid (de studie der levende talen) constitueert linguistisch onderzoek, niet het regelapparaat dat de klassieke, dode talen bepaalt. In dat opzicht zou Hoogvliet zich al zeer vroeg onderscheiden van de rond 1900 gangbare opvatting, dat alleen de historisch-vergelijkende taalkunde de enig wetenschappelijke beoefening van taalkunde zou zijn:

 

Als linguïst werkte Hoogvliet niet binnen het kader van de historisch-vergelijkende taalkunde, die in het laatste kwart van de 19de eeuw zo sterek heeft gedomineerd. Zijn werk sluit veeleer aan bij een andere onderzoekstraditie, die van de algemene of universele grammatica, in de 19de eeuw in Nederland vertegenwoordigd door figuren als Johannes Kinker, Taco Roorda en L.A. te Winkel. Een van de krachtlijnen in die traditie is de nadruk die gelegd wordt op de relatie taal en denken; in de talen zocht men het algemene, dat zou corresponderen met de algemene structuur van het denken.

                                                                                                                    (Noordegraaf 1987: 5)

 

Maar deze zienswijze zou weer veronderstellen, dat algemene taalwetenschap, waarin de algemene categorieën van het denken in de diverse talen tot uitdrukking komt, uit zou moeten gaan van vergelijkend, maar dan kennelijk wel synchroon onderzoek van taalgebruik. De traditionele opvatting van een tegenstelling tussen vergelijkend en algemeen taalwetenschappelijk onderzoek bestaat kennelijk in Hoogvliets ogen niet. Dit spreekt ook uit de bespreking van Kluyver, waarin hij aangeeft, dat verschillende benaderingswijzen van taal elkaar geenszins hoeven uit te sluiten en dat Hoogvliets werk hem aan een benaderingswijze herinnert die in de 18de eeuw gangbaar was in Frankrijk. Noordegraaf (in press: 14) stelt uitdrukkelijk dat rond 1800 Nederlandse taalkundigen op de Duitse studies van o.a. Johann Christoph Adelung (1732-1806) waren georiënteerd. Dat betekent dat een oriëntatie op Frans taalkundig denken rond 1800 eerder een uitzondering dan een regel moet zijn geweest, hetgeen mede zonder twijfel samenhangt met de politieke situatie in het Koninkrijk der Nederlanden. Eerder in de achttiende eeuw is wel sprake van een Franse oriëntatie, dat wil zeggen dat de universele of algemene grammatica wel een belangrijke rol speelde in taalwetenschappelijk onderzoek. Ook hiervoor is licht een politieke factor aan te wijzen!

     Maar om op Hoogvliet terug te komen: zijn Lingua heeft weliswaar veel reacties van taalkundigen uitgelokt (het zou voor Van Ginneken zelfs een belangrijk werk worden bij het schrijven van zijn dissertatie, vgl. Noordegraaf 1988: 225), maar wellicht gezien de marginale positie die Hoogvliet in de universitaire taalkundige wereld innam en zijn kritisch-polemische houding ten opzichte van de Duitse neogrammaticale traditie heeft het geen grote rol gespeeld in de ontwikkeling van de algemene taalwetenschap in Nederland. Desalniettemin, zo concludeert Noordegraaf:

 

Despite his fame and great enthusiasm [...], this lack of academic success put Hoogvliet into relative isolation. A younger contemporary, like the later structuralist Hendrik J. Pos, was one of the few who, as it becomes apparent from his writings and lecture notes, studied Hoogvliet's views in depth and took them into considerationin his own reflections on linguistic theory. From this perspective, Hoogvliet's work may be considered a completely unique link in the change from historical-comparative linguistics to the structuralist and functionally oriented phase in early 20th-century linguistics.                                                                                                           (Noordegraaf 1988, 230)

 

Echter, deze constatering lijkt alleen gerechtvaardigd, vanuit de huidige kijk op de ontwikkeling van structuralistisch en functionalistisch denken en minder vanuit de feitelijke ontwikkeling van algemeen taalwetenschappelijk onderzoek.

 

     Overigens treffen we ook tussen 1900 en 1920 met name bij de in 3. te bespreken taalkundigen onderzoek aan dat op het gebied van algemeen taalwetenschappelijk onderzoek ligt. Dat wil echter niet zeggen dat inzichten van algemene aard niet in vakwetenschappelijk onderzoek in die periode zouden zijn te vinden, zoals in het werk van De Vooys of Gerlach Royen. In het laatste gedeelte van dit artikel wil ik proberen om op de hiervoor geschetste problematiek rond definitie en inhoud van het vak algemene taalwetenschap in te gaan en daarbij vooral het accent te leggen op de situatie in Utrecht tussen 1920 en 1960. Het gaat hierbij om het zoeken naar een mogelijk antwoord op de hiervoor gestelde vraag naar een autonome taalwetenschap.

 

3.De ontwikkeling van de beoefening van algemene taalwetenschap in Utrecht na 1921

 

Vond er nu in Nederland, en in het bijzonder in Utrecht op taalwetenschappelijk gebied in de jaren twintig inderdaad een heroriëntatie plaats op basis van Saussures Cours? Veel publicaties, zeker in de jaren twintig en begin jaren dertig, lijken verder te gaan op de leest van de negentiende-eeuwse vergelijkende taalkunde, die toch ook het zwaartepunt vormde in Techmers Zeitschrift, ook al had deze het predikaat "algemene taalwetenschap" meegekregen. Op basis van deze overwegingen lijken noch de gecompileerde Cours noch de Duitse "allgemeine Sprachwissenschaft" kandidaten voor de inhoud van het "vak" algemene taalwetenschap.

     Invoering van algemene taalwetenschap in 1921 houdt, zoals in het voorafgaande is gesteld, niet noodzakelijk in dat het begrip "algemene taalwetenschap" pas in die tijd ingang vond in het jargon van de wetenschappelijke talenstudies. En evenmin betekent de invoering en formulering van het "vak" algemene taalwetenschap per definitie, dat daarmee een totaal nieuwe weg van taalwetenschappelijk onderzoek werd ingeslagen. Men mag echter wel veronderstellen dat in de jaren 1920 en 1930, na de officiële invoering, bij de instelling van leerstoelen voor algemene taalwetenschap aan de Nederlandse universiteiten in toenemende mate aandacht aan inhoud, omvang en methode van taalwetenschappelijk onderzoek werd besteed. Taalkundigen werden genoodzaakt zich in een nieuw onderzoeksgebied in te werken en dit systematisch in het bestaande curriculum in te passen. Ontwikkeling van collegemateriaal en het oprichten van (bijzondere) leerstoelen kan eveneens tot een verbrede aandacht voor het onderzoeksgebied van algemene taalwetenschap leiden.

     Zo werd in Utrecht de eerste landelijke leerstoel voor algemene taalwetenschap opgericht (vgl. Schrijnen 1921: 19) en in juni 1921 werd Joseph Schrijnen (1869-1938), sedert 1910 in het kader van de St. Radboudstichting al werkzaam aan de Rijksuniversiteit als lector in de klassieke taalkunde en de cultuurgeschiedenis der Christelijke Oudheid en sinds 1912 buitengewoon hoogleraar, benoemd tot buitengewoon hoogleraar vergelijkende en algemene aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Hij zou maar twee jaar dit buitengewoon hoogleraarschap vervullen. In 1923 werd hij in Nijmegen aan de Katholieke Universiteit benoemd tot gewoon hoogleraar in de Algemene Taalwetenschap, de Grieksche en Latijnsche Taalkunde en de Volkskunde, alsmede tot eerste rector magnificus (vgl. Mohrmann 1937/8: 204; Rogier 1974). Vanaf 1923 nam Willem Caland (1859-1932) het onderdeel algemene taalwetenschap "vooral met het oog op de klassieke litteratoren" voor zijn rekening - ook nog na zijn emeritaat op 15 september 1929. De zware leeropdracht van Caland werd bij Koninklijk Besluit van 1 april 1932 opgesplitst in twee buitengewone hoogleraarschappen: "het Sanskrit, Het Avestisch, het Oud-Perzisch en de beginselen der Indo-Germaansche taalwetenschap", bezet door Jan Gonda (1905-1990) en "de vergelijkende en algemene taalwetenschap", vertegenwoordigd door P. Gerlach (Nicolaus Jakobus Hubertus) Royen. Na Royens emeritaat in 1951 werd de leerstoel bezet door Andries Teeuw (b1921) die het gedeelte algemene taalwetenschap "met betrekking tot de klassieke talen" aan Gonda kwijtraakte en dus een "met uitzondering"-hoogleraarschap kreeg. Bij K.B. van 31 mei 1956 werd Albert Willem de Groot (1892-1963) gewoon hoogleraar in de "vergelijkende en algemene taalwetenschap in verband met de studie der levende talen".

     Kenmerkend voor de algemene taalwetenschap lijkt in de jaren twintig de belangstelling voor het konkrete taalgebruik, "la parole", die zich met name op uit het taalgebruik geputte gegevens richt: taalwetenschappelijk onderzoek begint dus bij het sprekende subject. Maar was deze opvatting ook gangbaar toen Schrijnen in 1921 hoogleraar werd? In Schrijnens vroege, voor-Utrechtse publicatie, Inleiding tot de studie der vergelijkende indogermaansche taalwetenschap uit 1905 vinden we een "Afdeling Algemeene Beginselen", waarin Schrijnen een verband legt tussen "Indogermaansche" en "Algemeene Taalwetenschap". Wat het begrip algemene taalwetenschap hier doet is onduidelijk. Want wel wordt uitvoerig ingegaan op doel, methode en voorwerp van de indogermaanse, historisch-vergelijkende taalwetenschap,[15] de algemene component wordt niet expliciet besproken. Wel zou men de navolgende opmerking in het licht van een nadere bepaling van het begrip "algemene taalwetenschap" kunnen vatten, mede omdat het de Humboldtiaanse en "völkerpsychologische" rol in de "'studie der menschelijke taal'" benadrukt:

 

[...], de ultima ratio van elke taalstudie is het opsporen van de wijze, waarop de menschelijke geest zich in het wezen der taal, in hare vervormingen en veelsoortige lotgevallen gedurende den loop der tijden openbaart. In laatste instantie is de taalstudie dus slechts een onderdeel van de psychologie der volkeren.          (Schrijnen 1905: 39)

 

Op deze leest gaat Schrijnen in zijn Rede bij de aanvaarding van het hoogleraarschap, zestien jaar later, verder. Hier beschouwt Schrijnen algemene taalwetenschap als pendant van kultuurwetenschap. Taal is een kultuurverschijnsel en zoals alle kultuurprodukten kent het een sociale en psychische kant. Taal is enerzijds, vanuit de sociologie - in de lijn van Meillet -, mededeling en anderzijds, vanuit de psychologie, uiting van begrippen en gewaarwordingen:

 

Taal is niet sléchts een hulp- en vervoermiddel, dat uiteraard slechts zoo praktisch, zoo deugdelijk en eenvoudig mogelijk dient te zijn, taal is ook verklanking van het bonte begrips- en gevoelsleven: zij wrocht een geestelijk kunstbeeld van het eigen zieleleven en van de verschillende maatschappelijke verhoudingen, en wel niet alleen als gesproken en geschreven kultuurtaal, maar ook, en zelfs in de eerste plaats, in de volkstaal, die immers aan de kultuurtaal het onmisbaar materiaal ter bewerking en veredeling schenken moet.                                                   (Schrijnen 1921: 6)

 

Over algemene taalwetenschap, haar doel, middelen en voorwerp van onderzoek wordt hier verder niets gezegd. Tegen het einde van zijn rede ziet Schrijnen het wel als de taak van de Algemene Taalwetenschap te onderzoeken "hoe de eigen aard van elke taal of taalgroep uit den eigen kultureelen aard der betrokken taalgemeenschap te verklaren valt en hoe de algemeene taalwetten met de algemeene kultuurwetten samenhangen" (Schrijnen 1921: 19). Maar geldt hier niet hetzelfde als wat met betrekking tot Meillets visie op algemene taalwetenschap is gezegd?

     Een andere Utrechter is Cornelis Gerrit Nicolaas de Vooys (1873-1955), sedert 1915 gewoon hoogleraar "Nederlandsche taal- en letterkunde van het Middel-Nederlandsch" (opvolger van J.W. Muller). De Vooys, hoofdredacteur van De Nieuwe Taalgids, waarin in de jaren dertig vele publicaties op het gebied van de "continentale" algemene taalwetenschap verschenen, heeft in de jaren dertig regelmatig over taalkunde, en vooral semantiek, gepubliceerd. In de jaren dertig verschenen van hand van De Vooys (1933; 1938) enkele studies over woordbetekenis, die blijk geven van een bekendheid met de belangrijkste onderzoeksresultaten van woordbetekenisonderzoek in de ons omringende landen. In zijn Studie van de Woordbetekenis, een dies-rede van 27 maart 1938 schetst hij in grote lijnen het internationale woordbetekenisonderzoek,[16] zowel in Duitsland, Frankrijk als Engeland en geeft een aantal principes van betekenisvorming en -verandering, bijv. betekenisovergang door vermenging van zintuiglijke indrukken (schel), naamgeving, specialisering ("Verdichtung") of uitbreiding ("Erweiterung"), betekeniswijziging door metaforen en door de veranderende gevoelswaarde van woorden (poëtisch taalgebruik, omgangstaal, jargon etc.). In een uitgebreide versie van deze rede gaat De Vooys in 1938 onder de titel Inleiding tot de studie van de woordbetekenis nog eens in op het verband tussen taal en spraak in het kader van enkele algemene beschouwingen over een veranderde opvatting van semasiologie (tekenleer) of semantiek. Ook voor de semantiek betekent de algemene taalwetenschap, dat studies van woordbetekenissen niet kunnen volstaan met louter klank- en vormanalyses. De aandacht voor de sociale en psychologische functies van taal binnen de algemene taalwetenschap leidt De Vooys tot de conclusie, dat de realisering van het taalsysteem in de gesproken taal, derhalve in zinsverband, een prioriteit bezit in taalwetenschappelijk onderzoek. Wanneer met het taalsysteem "boven- of buitenindividueel" beschouwt, zoals De Saussure in de visie van De Vooys en vele andere Nederlandse taalkundigen, loopt men het gevaar dat men taalwetenschap weer gelijkstelt met "de oude taalbeschouwing, die in de taal een zelfstandig- levend organisme zag" (De Vooys 1938: 8). Het taalsysteem als gemeenschappelijk bezit van alle taalgenoten ontstaat steeds weer opnieuw in elk individu. Taalverandering voltrekt zich in individuen. De enige taalrealiteit is die van het sprekende individu. Taalonderzoek moet zich derhalve op de spraak richten - iets wat men weliswaar ook in het "Glaubensbekenntnis" van de neogrammatici (Brugmanns "Vorwort" tot het eerste deel van de Morphologische Untersuchungen, 1878) vindt; alleen zij maken belofte niet waar. In dit opzicht is De Vooys het eens met o.a. zijn Utrechtse collega Gerlach Royen. En in het licht van het internationale woordbetekenisonderzoek sluit zich De Vooys dan ook uitdrukkelijk niet aan bij bijv. de neogrammatici (ook al wordt Pauls Prinzipien der Sprachgeschichte genoemd als standaardwerk voor woordbetekenisonderzoek; maar Paul zelf heeft zich nooit als "Junggrammatiker" beschouwd!), maar bij psychologische of sociologische beschouwingen als die van bijvoorbeeld Wilhelm Wundt (1832-1920; Völkerpsychologie I: Die Sprache, 1900), Karl Otto Erdmann (1858-1931; Die Bedeutung des Wortes, 1900) of Arsène Darmesteter (1846-1888; La vie des mots, 1886). Deze taalwetenschap vormt "'l'autre histoire de la linguistique'" (De Clercq/Swiggers; in: Schmitter 1992: 239), waarvan men dus elders met grote belangstelling kennis nam.

     Zoals reeds opgemerkt wijzen pas in de jaren dertig artikelen op een toenemende belangstelling voor De Saussures Cours. Of dit te maken heeft met een veranderd "climate of opinion" in de (on-)duidelijke zin van Koerner of doodeenvoudig met een nieuwe generatie taalkundigen die in De Saussures Cours een nieuwe wetenschapstheoretische inspiratiebron zagen voor taalkundig onderzoek is vooralsnog onduidelijk ook al is de structuralistische frontvorming rond 1930, die ondermeer wetenschappelijke bodem onder de voeten kreeg tijdens het Haagse linguïstencongres in 1928, waar Schrijnen en C.C. Uhlenbeck de voortrekkers waren, zeker niet onbelangrijk geweest voor de positie van de Nederlandse taalwetenschap (vgl. Van Hamel 1945: 76ff.). Zo publiceert Gerlach Royen in de Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen (Royen 1933) een studie over de onderlinge afhankelijkheid van taal en spraak, een van de vier Saussureaanse dichotomieën (naast synchronie/diachronie, signifiant/signifié en rapports associatifs/syntagmatiques) en beslist de kip-ei-kwestie in het voordeel van de spraak: "de taal, dat geestelik fonds, in wording en in voortbestaan, in ontwikkeling en verandering geheel af van de spraak" (Royen 1933: 159). Royen ziet de spraak, geheel in een Humboldtiaanse lijn, als een gebeuren dat door elk individu steeds opnieuw moet worden vernieuwd (als "energeia"). En dus is voor Royen het begrip "spraak" een abstractie van de spraak van de afzonderlijke individuen in een taalgemeenschap en met betrekking tot het individu zelfs van alle "reële en intentionele herhalingen van vroegere spraakuitingen" (Royen 1933: 161). Ook Martinus J. Langeveld (1905-1989) schrijft in 1935 over dit thema, "Taal en Spraak", en wel in aansluiting op de Cours van De Saussure en Alan H. Gardiners (1879-1963) A Theory of Speech and Language (1932). Hij gaat na welk belang dit onderscheid voor de taalwetenschap heeft en hij komt ondermeer tot de conclusie dat er nogal wat schort aan de duidelijkheid, d.w.z. de betekenis van begrippen als "spraak" en "taal" en hun onderlinge verhouding in linguïstische studies als die van De Saussure en Gardiner en aan de keuze die voor een van beide wordt gemaakt. Zo concludeert Langeveld o.a.

 

     1o. Onder ,,spraak'' kan het psychophysische mechanisme verstaan worden, doch ook het ,,vrije'' taalgebruik binnen de normen der taal. Echter niet beide tegelijk.

     2o. Dit niet te onderscheiden, ja te verbinden, is een gemeenschappelijke fout van De Saussure en Gardiner.

     3o. Indien men de taal psychologistisch definieert, is de slechtst denkbare reden tot scheiding van taal-en-spraak overgebleven. Juist uit normaal psychologisch oogpunt zijn de ,,taal'' als ,,union de sens et d'image acoustique'' en de ,,spraak'' als ,,actes de phonation'' onverbrekelijk gelieerd.

     4o. Vat men ,,spraak'' op als het vrije gebruik der mogelijkheden binnen de normen der taal, voorzover dit [gebruik - fv] kenmerkend is voor een individu of een groep van individuen, dan heeft men een aanvaardbaar en hanteerbaar correlaat van de ,,taal'' als eenheid dier normen. Over haar beider relatie valt te spreken, doch haar onderscheiding dient niet, als bij Gardiner, overschat te worden.

                                                                                                                    (Langeveld 1935: 81f.)

 

Duidelijk is, dat zowel Royen als Langeveld de spraak-taal-dichotomie bij De Saussure niet als vanzelfsprekend aannemen, maar vanuit hun visie op de prioriteit van een "linguistique de la parole" nader willen bepalen. Juist de belangstelling voor de verandering en diversiteit van taal noopt hen terug te keren naar het sprekende individu en taalveranderingen vanuit diens taalgebruik te begrijpen: "Omdat de taal een dynamis is en de spraak een energeia, met die eigen, paradoxale wisselwerking tussen beiden, èn in de eenling èn in de gemeenschap, daarom is de taal steeds in beweging en verandering" (Royen 1933: 25f.). Over Royen kom ik in een ander verband nog te spreken (Vonk 1993).

     Later nog heeft de Utrechtse keltoloog Anton Gerard van Hamel (1886-1945), sedert 28 december 1923 hoogleraar in de "beginselen der Vergelijkende Germaanse Taalwetenschap en de Oude Talen en Letterkunde der Germaanse Volken en het Keltisch", in zijn Geschiedenis van de taalwetenschap (1945; 41974: 10v) nog een onderscheid gemaakt tussen de studie van talen en van taal. In de talenstudie komt het er op aan de verschijnselen in meerdere talen met elkaar in verband te brengen. Hier spreekt Van Hamel van vergelijkend onderzoek. De studie van taal of algemene taalwetenschap "tracht de beginselen te vinden die aan alle taalgebruik ten grondslag ligt. Zij wordt veelzijdiger, naarmate zij zich op uitgebreider talenstudie baseert, maar zij kan voorlopig ook op grond van beperkter gegevens waardevolle winsten boeken" (Van Hamel 1945: 10). De exacte gegevens verkrijgt de algemene taalwetenschap uit het vergelijkende onderzoek dat als conditio sine qua non wordt beschouwd. Echter het vergelijkende onderzoek heeft in zoverre baat bij de onderzoeksresultaten van algemene taalwetenschap dat deze gerichter vergelijkend onderzoek mogelijk maken. Kortom: algemene taalwetenschap en vergelijkende taalwetenschap veronderstellen elkaar.

     Met de benoeming van A.W. de Groot in 1956 begon in Utrecht de bloei van algemeen taalwetenschappelijk onderzoek. In zijn Inleiding tot de Algemene Taalwetenschap. Tevens Inleiding tot de Grammatica van het hedendaagse Nederlands (1962) geeft De Groot een definitie van (algemene) taalwetenschap, analytisch onderscheiden van "speciale takken van de taalwetenschap" (De Groot 1962: 5), waarin hij de onderzoeksrichtingen op taalwetenschappelijk gebied kernachtig samenvat: taalwetenschap is de wetenschap die zich bezighoudt met de taal, d.w.z. talen en het gebruik van talen, waarbij onder taal een "systeem van conventionele tekens" (De Groot 1962: 1) wordt verstaan. Kernbegrippen zijn hier het systeem-, het conventionele- en tekenkarakter van taal. Essentieel bij de bepaling van het tekenkarakter van taal is, dat de waarnemer van het teken slechts op basis van voorafgaande, conventionele (op arbitrariteit berustende) kennis van de tekens tot een juiste identificatie van vorm en betekenis kan komen. Van belang voor de identificatie van vorm en betekenis is zeker ook de onderlinge afhankelijkheid en ordening van taaltekens die voortkomt uit het systeemkarakter van taal. Algemene taalwetenschap mag volgens De Groot al lang niet meer worden gezien in het licht van de historisch-vergelijkende grammatica en ook in het onderwijs heeft zich algemene taalwetenschap losgemaakt van haar relatie met "dode talen als Gotisch, Vulgairlatijn en Oudbulgaars" (De Groot 1962: 5). Algemene taalwetenschap levert "het begripsapparaat en de methoden die nodig zijn voor de beschrijving en verklaring van een [levende? - fv] taal" (De Groot 1962: 5). Men zou dus aan algemene taalwetenschap kunnen doen, wanneer men slechts enkele talen of misschien wel één taal beheerst. Van belang acht De Groot het, en daartoe is zijn Inleiding een eerste aanzet, om zich te bezinnen op de methode en de eigen aard van het object der taalwetenschap. Een ontbreken van deze bezinning zou haar slechts in de armen van andere wetenschappen drijven, die zich wel druk maken over hun eigen identiteit (vgl. De Groot 1962: 9). In dit opzicht, en dat is niet erg verwonderlijk, sluit zich De Groot bij Reichlings opvatting over de autonomie van taalwetenschappelijk onderzoek aan.

 

4.Conclusies

 

Op basis van het voorafgaande, verre van volledige "institutionele" en conceptuele overzicht kan men weliswaar voorzichtig enkele conclusies trekken over de ontwikkeling van de vergelijkende en algemene taalkunde in Utrecht, die als casus voor de ontwikkeling van het "vak" algemene taalwetenschap in Nederland staat, maar verder- en diepergaand onderzoek zal pas kunnen leiden tot een min of meer definitief inzicht in de verschillende nuances die Nederlandse linguïsten aanbrengen in hun opvatting van het doel, de methode en de inhoud van "algemene taalwetenschap".

 

1.Allereerst lijkt in Utrecht weliswaar belangstelling te bestaan voor internationale ontwikkelingen op taalkundig gebied, maar de pas later voor de beoefening der algemene taalwetenschap belangrijk geworden taalkundigen lijken buiten het aandachtsveld te vallen. Men toetst nieuwe ontwikkelingen met name aan het bestaande historisch-vergelijkende paradigma en stelt overeenkomsten en verschillen vast zonder op de wetenschapstheoretische betekenis voor komend onderzoek vooruit te lopen - bijvoorbeeld de vraag naar de autonomie van taalwetenschap, de rol van de synchrone taalbeschrijving voor het eigen onderzoek of de reflectie op het geschiedconcept dat men aanhangt. Het is denkbaar dat hier institutionele of onderzoeksdynamische faktoren aan ten grondslag liggen. Ook de persoonlijke affiniteit met of afkeer van nieuwlichterij verdient een nader onderzoek.

2.Met name het taal- qua kultuurwetenschap (Schrijnen), het taal-spraak-probleem (Langeveld, Royen), thematisch afkomstig uit de Duitse filologische (Georg Curtius (1820-1885)) resp. Franse sociologische (Saussure, Meillet) tradities, en de studie van woordbetekenis, semantiek (De Vooys) lijken in de jaren twintig resp. dertig het onderzoeksveld der algemene taalwetenschap in Utrecht te bepalen. Pas na de Tweede Wereldoorlog, eerst bij Teeuw en later bij De Groot krijgt de angelsaksische beoefening van taalwetenschap en haar disciplinaire autonomie - o.a. via het werk van Roman Jakobson (vgl. Teeuw 1954) - de volle aandacht. Ook begripsanalytisch wordt m.n. door De Groot (1962: 1-10) de positie van algemene taalwetenschap ten opzichte van andere taalwetenschappelijke disciplines bestudeerd. Daarbij borduurt hij voort op de reeds genoemde oratie van Reichling, met wie De Groot het tijdschrift Lingua oprichtte.

3.algemene taalwetenschap in Utrecht hangt nauw samen met talenstudies en niet met taalstudie. Dat zal mede samenhangen met de bijrol van algemene taalwetenschap in de studie der moderne talen (Duits, Engels, Frans etc.) naast het Gotisch, Vulgairlatijn etc. Toch kan men zich afvragen, juist omdat algemene taalwetenschap in dit opzicht geen vergelijkende taalwetenschap is, of de constructie van 1921 niet zou hebben kunnen bijdragen tot een andere inschatting van algemene taalbeginselen en -categorieën als die van de vergelijkende taalwetenschap - men bestudeert weliswaar de ontwikkeling van bijv. het Gotisch, Oudhoogduits, Middelhoogduits, Vroeghoogduits etc., maar niet de specifieke kenmerken van bijv. deze indogermaanse talen ten opzichte van austronesische of fins-oegrische talen -,


 

Supplement A

 

Bespreking van De Saussures Cours door Van Ginneken in Indogermanisches Jahrbuch V (1917: 22f.)

 

(22)

de Saussure, F. Cours de linguistique générale. Genf 1916.

Litbl. f. germ. u. rom. Philologie 1917. Heft 1/2 (Schuchardt).

Wichtiges Buch. Das Gerippe seines Systems zeichnet de Saussure Seite 143 auf.

                                                                                                                                                   LangeSynchronie

                                                                                             Langage                                       ParoleDiachronie

Langage = Individualsprache. Parole = Gesprochenes. Langue = Die Sprache im sozialen Sinn. Was in der Langue ist, war vorher in der Parole. Hätte nicht gesagt werden müssen, daß die Langue auch fortwährend wieder zur Parole wird?

      Tiefer gefurcht als die erste zeigt sich die zweite Hauptgabelung: die der Langue in Synchronie = Gleichzeitigkeit und Diachronie = Zeitfolge. Es werden also 2 Sprachwissenschaften unterschieden: die statische und die evolutive, wie etwa Aug. Comte die dynamische Soziologie von der statischen unterschied. Es wird uns unbedingt untersagt, die Beziehungen in der Zeit und die Beziehungen im System gleichzeitig zu studieren. Aber Schuchardt meint: Ruhe und Bewegung im weitesten Sinne genommen bilden, wie überhaupt, so bei der Sprache keinen Gegensatz: nur die Bewegung ist wirklich, nur die Ruhe ist wahrnehmbar. Schließlich erklärt de Saussure selbst, daß seine Synchronie eine Schicht ist, und nicht notwendigerweise eine dünne, sie könne 10 Jahre, eine //(23) Generation, ein Jahrhundert, ja noch mehr umfassen. Hiermit schwindet aber fast jede Gegensätzlichkeit zwischen Synchronie und Diachronie.

      Was Bally uns in seinen Büchern gebracht hat, ist Synchronie. Aber stellt es eine Wissenschaft dar? Hier wird Sprachunterricht geübt. Was bietet uns nun die synchronische Sprachwissenschaft darüber hinaus: was gibt es außer der Sprachgeschichte noch, das sich als Sprachwissenschaft bezeichnen ließe? Ist Ballys Stylistique ohne Sprachgeschichte begreiflich? Doch gibt es etwas außer der Sprachgeschichte. Das ist Sprachpsychologie. Sie steht aber nicht im Gegensatz zur Sprachgeschichte, sondern ist damit zu verknüpfen: beide beziehen sich auf ein Sprachgeschehen: die eine auf das, was während langer Zeiträume in den Sprachgemeinschaften geschieht, die andere auf das, was in den Individuen bei der Aneignung der Sprache und bei der Übertragung des Gedachten in die Rede (Parole!) geschieht. Auf dieses Geschehen baut sich alles andere auf. Die Sprache selbst besteht in einem ewigen Geschehen. Und so kommen auch de Saussure und Schuchardt zu dem, was Ref. schon öfters als die ideale Sprachwissenschaft beschrieben hat: die kontemporänepsychologische und soziologische Geschichte der Muttersprache. Schuchardt sagt: "Jedem wird die eigene, die eigenste Sprache, sobald er auch ihre schwächsten Regungen belauscht, die feste Grundlage für alle Sprachbetrachtung darbieten, und nichts würde lehrreicher sein, als die Vergleichung möglichst vieler 'Introspektionen' aus allen Kreisen". De Saussure sagt: Alles ist psychologisch in der Sprache. Und mit seiner Gegenüberstellung von Parole und Langue hat er seinem ganzen Buche: das soziologische Merkmal aufgedrückt.

 

Supplement B

 

Bespreking van De Saussures Cours (1916) door Kluyver in Museum 24/7: 153-156.

 

(153)

F. de Saussure, Cours de linguistique générale, publié par Ch. Bally et A. Sechehaye. Lausanne-Paris, Librairie Payot et Cie. 1916 (Pr. fr. 6).

 

      Gedurende zijn professoraat te Genève heeft de Saussure driemaal een college gegeven over taalwetenschap in het algemeen. Na zijn dood heeft men onder zijn papieren slechts enkele aanteekeningen gevonden over de door hem behandelde stof: steeds wilde hij verbeteren wat hij had voorgedragen, en hij vernietigde dan wat enmaal dienst had gedaan. Met behulp van hetgeen enkele van de meest begaafde toehoorders op die colleges hadden aangeteekend, heeft men de voordrachten zoo goed mogelijk gereconstrueerd. Men vindt in dit boek dus wat de hoogleraar in hoofdzaak heeft medegedeeld, maar niet alle uitweidingen en toelichtingen waarmede hij in het mondeling betoog zijn beschouwingen heeft verhelderd. Toch is wat men hier leest veel mer dan een schema, en in de redactie meenen wij zelfs den stijl van den meester te herkennen. Maar deze - de uitgevers zeggen het aan het slot hunner voorrede - zou wellicht het publiek  maken van deze aanteekeningen niet hebben goedgekeurd: met elkaar gelijken zij op een voorloopig ontwerp van een boek dat de Saussure misschien nooit zou hebben afgemaakt. Maar het was toch zeker niet tegen zijn zin, en niet slechts om aan de eischen van een onderwijsprogramma te voldoen, dat hij driemaal zulk een college gaf. Want hoeveel aandacht hij ook had voor de studie van bijzonderheden, steeds was hij geneigd die in verband te brengen met een algemeene theorie. Om eene theorie te kunnen opleveren, moest het voorwerp van zijne beschouwingen een karakter van eenheid vertoonen. En bij de taalkunde kan men allerlei vakken te pas brengen. Wat is een wetenschap, wier beoefenaar te gelijk historicus, philoloog, geograaf, anthropoloog, psycholoog, physioloog moet zijn? Het //(154) moge waar wezen, dat verschillende wetenschappen elkaar nodig hebben, en dat grenzen soms niet dan willekeurig kunnen worden getrokken, voor de Saussure kon in een vak, dat uit een verzameling van ongelijksoortigheden moest bestaan, niets aantrekkelijks zijn: dat zou niet in waarheid één stelsel van begrippen kunnen worden. Hij meent tot zijn doel te komen door niet te handelen over de menschelijke taal in het algemeen (le langage) en vooral niet over het eerste begin daarvan: noch over het spreken van het individu (la parole), maar door in de eerste plaats te onderzoeken de taal van eene maatschappij, de taal waaardoor de leden der gemeenschap met elkaar omgaan en die ieder llid moet leren (la langue). Die taal beschouwt hij als iets objectiefs. Zij is eene ,,institution sociale'', zij vormt een systeem dat men kan ontleden, zij is ,,un trésor dépoé par la pratique de la parole dans les sujets appartenant à une même communauté'' (31). In die taal kan men eenheden onderscheiden, waarvan de kleinste zoowat overeenkomen met de deelen die men woorden pleegt te noemen; voorzichtiger zal men zeggen, dat zulk een eenheid in de gesproken taal is ,,une tranche de sonorité qui est ... le signifiant d'un certain concept'' (150). Nu is het karakteristieke van de taal, datgene waardoor zij iets eenigs is, niet de klank, noch het begrip, maar juist het bij elkaar behooren van die twee. En de taalkunde is niet een leer van klanken, noch van begrippen, maar zij handelt over die genoemde combinaties. Het eigenaardige is, dat men - in het algemeen gesproken - geen verband ziet tusschen die twee met elkaar verbonden elementen: met dezelfde begrippen zijn in verschillende talen dan ook zeer verschillende klanken verbonden, en er is geen enkele reden waarom men boom of tree voor meer of minder gepast houden dan arbor. Die verbinding schijnt dus willekeurig, doch aangezien ieder geslacht de taal erft van het vorige, weet niemand hoe die verbinding is tot stand gekomen. Eene dringende reden om de elementen volstrekt onveranderd te laten is er niet, juist doordat niemand kan beseffen //(155) waarom die bepaalde klanken bij dat bepaalde begrip zouden behooren. Men neemt wel, ten gevolge van zekere maatschappelijke oorzaken, eene zekere uitspraak als normaal aan, maar die ideale uitspraak komt minder vaak voor dan allerlei afwijkingen daarvan, die de maatschappij echter toelaat, mits zij zekere grenzen niet te buiten gaan (171). Evenzoo is in de begrippen die bij de klanken behooren, eene niet absolute vastheid: in een bepaald geval zal de één een term willen gebruiken dien de ander hier misschien minder juist zal achten, en toch zal de eerste zijne keus kunnen verdedigen. Maar ook hier is een grens, en soms wordt het gebruik van een term stellig onjuist. Zoowel van de klanken als van de beteekenissen zal men vaak eer negatieve dan positieve kenmerken kunnen opgeven, ja men zou kunnen zeggen: ,,tout est négatif dans la langue'' (173), en: ,,dans la langue il n'y a que des différences'' (172). Doch zoodra men wil letten op de verbinding der eelementen, heeft men ,,une chose positive dans son ordre'' (173). Men zal b.v. het woord wolk in allerlei toepassingen hooren gebruiken, bij het bepaald onjuiste af; men zal er bij verschillende personen allerlei soorten van l in hooren, zóó dat woord soms bijna klinkt als het Russische woord voor wolf, waaraan het echter niet mag gelijk worden. Maar in de wetenschap der Nederlandsche taal is de vebinding van die niet precies bepaalbare elementen een vaste waarheid. De eenheden der taal zijn een zeker soort van signalen (signes), waarbij niet zozeer een groep van klanken als wel een voorstelling van klanken (image acoustique) is verbonden met een begrip (concept). De taal in haar geheel is een ,,système sémiologique'', en al het eigenardige van een signaal is, dat het verschilt van een ander even willekeurig signaal: ,,ce qui distingue un signe, voilà tout ce qui le constitue'' (174). In den geest van den schrijver kan men zeggen, dat wanneer b.v. een rood spoorwegsignaal beteekent onveilig, dit niet is doordat op zich zelf tusschen roode kleur en onveiligheid eenig verband zou bestaan, maar doordat men het denkbeeld van onveiligheid nu eenmaal heeft willen verbinden met het rood, en niet met het wit of het groen. Wat van ,,woorden'' is gezegd, kan men ook zeggen van de feiten der grammatica. Het meervoud van hd. nacht is nächte; het verschil tusschen enkel- en meervooud wordt angeduid door al de verschillen van die vormen, en juist dit verschil in vorm schijnt even willekeurig als het woord nacht zelf ter aanduiding van het daaraan eigen begrip. De beschrijving van de betrekkingen tusschen de eenheden der taal heet grammatica. De schrijver merkt op, dat die betrekkingen in het algemeen zijn te verdeelen in ,,rapports syntagmatiques'' en ,,rapports associatifs''; en dat, wanneer de beschrijving goed wordt opgevat, geen scheiding kan worden gemaakt tusschen grammatica en lexicologie. Den term grammatica wil hij bewaren voor de beschrijving van het systeem dat al de leden eener gemeenschap op een bepaalden tijd met elkaar in hun geest hebben. En de man, die zelf een der beroemdste werken over ,,historische grammatica'' heeft geschreven, zegt hier: ,,il n'y a pas pour nous de ,,grammaire historique'' (191). Doch hij onderscheidt eene ,,linguistique synchronique'' en eene ,,linguistique diachronique''. De eerste beschouwt systemen van wat gelijktijdig bestaat, de tweede handelt over de betrekkingen tusschen op elkaar volgende termen //(156) die niet alle voorkomen in het besef van de leden eener zelfde maatschappij (144). Een redelijke grond om de taal te willen veranderen kan er voor de menschen niet zijn, juist doordat hare teekens willekeurig schijnen. En toch verandert de taal, doordat zij een maatschappelijke instelling is, voortbestaande in den tijd: ,,le temps permettra aux forces sociales s'exerçant sur elle de développer leurs effets'' (116). De zuiver phonetische veranderingen (wier juiste oorzaken men niet kent) hebben niets te maken met de begrippen der taal. ,,Si l'évolution de la langue se réduisait  celle des sons, ... on verrait clairement que ,,diachronique'' équivaut à ,,non-grammatical'', comme ,,synchronique'' à ,,grammatical'' (200). Doch er zijn allerlei veranderingen die men inderdaad niet als phonetisch kan beschouwen, en waardoor de strenge scheiding tusschen de twee soorten van linguistiek moeilijk wordt. De schrijver zou dat onderscheid toch willen handhaven, maar daartoe zou hij noodig hebben ,,des explications délicaates, incompatibles avec le cadre de ce cours'' (203). Men moet inderdaad niet vergeten, dat dit boek niet een geheel uitgewerkt systeem is, maar dat het slechts ongeveer aangeeft wat de Saussure in zijne colleges heeft gezegd. Hij was van een Zwitersche familie, doch men kan wel zeggen, dat zijn geest een Fransch karakter heeft. Door subtile redeneering tracht hij zijn onderwerp voor een logische behandeling geschikt te maken: zooveel mogelijk stelt hij ter zijde wat de gelijksoortigheid belemmert: uit een heterogene massa neemt hij wat zich als homogeen laat voorstellen. Daartoe kiest hij la langue: ,,c'est un système des signes où il n'y a d'essentiel que l'union du sens et de l'image acoustique, et où les deux parties du signe sont également psychiques'' (32).

 

Groningen                                                                                                                                                                 A. Kluyver

 

Supplement C

 

Bespreking van De Saussures Cours (21922) door Kluyver in Museum 31/3: 57-59.

 

(57)

F. de Saussure, Cours de Linguistique Générale, publié par Ch. Bally et A. de Sechehaye. Deuxième édition. Paris, Payot et Cie. 1922. (Pr. 12 Fr.).

 

      Men zal zich er niet over verwonderen, dat zes jaren nadat dit werk voor het eerst verscheen, een tweede druk noodig was. Een volledig leerboek is het waarlijk niet; men kan heel goed bespeuren, dat het een uitgave is van voordrachten in de collegekamer, en dat de hoogleeraar of geen tijd heeft gehad voor eene volledige behandeling, of dat hij met eene zekere vrijheid het eene onderdeel boven het andere heeft bevoordeeld. De bevoegde critiek heeft bezaar gemaakt tegen den opzet, tegen de scheiding tusschen wat de Saussure noemt ,,la parole'' en ,,la langue'', tegen de scherpe afzondering der ,,linguistique synchronique'' van de ,,linguistique diachronique''. Maar toch erkent ieder dat dit boek het werk is van een meester, van een diepzinnig en zelfstandig denker, die voor wat hij wilde zeggen een treffenden vorm heeft weten te vinden. Men moet het betreuren, dat zijne beschouwingen over de ,,linguistique synchronique'' niet verder zijn gegaan, want eigenlijk is hij niet verder gekomen dan het begin. Men zou dan hebben kunnen zien, wat hij had gegeven in plaats van datgene wat bij gewone geesten de beschrijvende grammatica heet, de voorstelling van wat de taal is voor hem die haar in zijne taalgemeenschap heeft leeren spreken, en voor wien zij is als iets bestendigs; of liever wat zij voor hem zou zijn, indien hij zich met zooveel scherpzinnigheid rekenschap van haar geven kon als de schrijver zelf. Dat deze lang over zijn onderwerp heeft nagedacht, dat zijne mededeelingen geen invallen van het oogenblik zijn geweest, //(58) is natuurlijk; reeds in 1896 of '97 gebruikte hij de woorden ,,quand on fera pour la première fois une théorie vraie de la langue'' (I[ndogermanische] F[orschungen] VII, Anz. 217); en dit besef van eigen nadenken heeft aan zijn stijl eene hooghartigheid gegeven, die hem voor velen aantrekkelijk maakt, doordat al wat ruw is er vreemd aan blijft. Een zelfstandig en hooghartig denker over dezelfde onderwerpen was b.v. ook [Franz Nikolaus] Finck [1867-1910]; maar deze komt soms tot uitvallen tegen ,,die Lautschieber'' die men bij de Saussure niet zal vinden. Dat deze in zijne beschouwingen niet verder is gekomen, kan ons toch eenigszins verwonderen. Want, zooals door zijne leerlingen in het voorbericht wordt medegedeeld, het college, waarvan dit boek eene voorstelling is, heeft hij te Genève driemaal gegeven: waarom is hij de tweede maal niet voortgegaan op het punt waar hij de eerste maal de behandeling had moeten staken? De oorzaak is misschien, dat hij telkens weer nieuwe studenten onder zijn gehoor had; doch men zou vragen: wat belette hem voor dit onderwerp een cursus van twee jaren te nemen? Wij kunnen die vraag niet beantwoorden. Wij kunnen ook niet gissen, welken vorm een zoo oorspronkelijk denker aan het vervolg van zijn werk zou hebben gegeven. En daaardoor betreuren wij des te meer dat vervolg te moeten missen. Naar hij zelf meent, plaatst hij zich op een standpunt ,,qui ne retient guère les linguistes''. Eene taal is in een gegeven staat een systeem van elementen die met elkaar niet een welgeordend geheel vormen, want in de niet-ontleedbare woorden zijn op eene voor ons onverklaarbare wijze klanken met begrippen verbonden. Maar die elementen worden op zekere manieren gegroepeerd met meer of minder medewerking van het denken, en zoo is er in de taal wat hij noemt ,,une limitation de l'arbitraire''. Daarover wil hij spreken zonder, in beginsel althans, eenig gebruik te maken van de geschiedenis der taalvormen, en dit is het wat aan //(59) zijn werk een bijzonder karakter geeft. De uitgevers deelen mede, dat deze tweede editie nagenoeg gelijk is aan de eerste; slechts hier en daar is de redactie verbeterd.

 

Groningen                                                                                                                                                                 A. Kluyver


 

Referenties

 

Albrecht, Jörn

1988Europäischer Strukturalismus. Ein forschungsgeschichtlicher Überblick. Tübingen: Francke.

Amsterdamska, Olga

1987Schools of Thought. The Development of Linguistics from Bopp to Saussure. Dordrecht etc.: Reidel.

Appel, René et.al.

1992Inleiding Algemene Taalwetenschap. Dordrecht: ICG Publications

Burgmann, Arnold

1954"P.W. Schmidt als Linguist". Sebeok ed. (1966/II: 287-328).

Christmann, Hans Helmut [ed.]

1977Sprachwissenschaft des 19. Jahrhunderts. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft.

Driel, Lodewijk van / Jan Noordegraaf

1982Studies op het gebied van de geschiedenis van de taalkunde. Kloosterzande: Duerinck-Krachten.

Bibliographie Schmidt

1928Zum 60. Geburtstage von Dr. theol. h.c. P. Wilhelm Schmidt. Professor an der Universität Wien, Direktor des Missions- u. ethnologischen Museums in Lateran. Dortmund: Stadtbibliothek.

Dik, Simon C.

1987"Anton Joannes Bernardus Nicolaas Reichling, 9 juli 1898-25 mei 1986". JKNAW 1987: 95-103.

Dik, Simon C. / Jan G. Kooij

1970Algemene Taalwetenschap. Utrecht: Het Spectrum [Oorspronkelijke titel: Beginselen van de algemene taalwetenschap. 61991].

Einhauser, Eveline

1989Die Junggrammatiker. Trier: WVT.

Essen, Arthur J. van

1983E. Kruisinga. A Chapter in the History of Linguistics in the Netherlands. Leiden: Martinus Nijhoff.

Fockema Andreae, J.F. et.al. [eds.]

1936De Utrechtse Universiteit 1815-1936. Utrecht: Oosthoek's Uitgevers Maatschappij.

Ginneken, Jacobus Joannes Antonius van

1904/6Grondebeginselen der psychologische wetenschap. 2 vols. Lier: Jozef van In & Cie [ooorspronkelijk in Leuvense Bijdragen 6 en 7].

1907Principes de linguistique psychologique. Paris: M. Rivière; Leipzig: Harrassowitz; Amsterdam: Van der Vecht.

1913/4Handboek der Nederlandsche Taal. 2 dln. Nijmegen: Malmberg.

1917"Bibliographie des Jahres 1916. I. Allgemeine Sprachwissenschaft". Indogermanisches Jahrbuch 5: 22-63.

Gonda, Jan

1954/5"In Memoriam Nicolaus Jacobus Hubertus Gerlach Royen 1880-1955". Jaarboek der Rijksuniversiteit te Utrecht 1954/5: 31-36.

Groen, M.

1988Het Wetenschappelijk onderwijs in Nederland van 1815 tot 1980. Een onderwijskundig overzicht. Eindhoven.

Groot, Albert Willem de

1931a"Phonologie und Phonetik als Funktionswissenschaften (Über psychologische und andere Lautsysteme)". TCLP 4: 116-147 [herdrukt in Groot ed. (1978: 31-62)].

1931b"De wetten der Phonologie en Hun Betekenis voor de Studie van het Nederlands". De Nieuwe Taalgids 25: 225-243.

1949Structurele Syntaxis. Den Haag: Servire [21965].

1962Inleiding tot de Algemene Taalwetenschap. Tevens Inleiding tot de Grammatica van het Hedendaagse Nederlands. Groningen: J.B. Wolters.

1966Betekenis en betekenisstructuur. Groningen: J.B. Wolters [Nagelaten geschriften van Prof.Dr. A.W. de Groot. Verzameld door Dr. G.F. Bos en Dr. H. Roose].

Groot, Albert Willem de [ed.]

1978Die Hierarchie im System der Sprache. München: Wilhelm Fink Verlag [Werkauswahl mit Einleitung und Bibliographie herausgegeben von G.F. Bos. Übersetzungen der niederländischen Texte von O. Reichmann].

Haeringen, Coenraad Bernardus van

1927"[Bespr. van Gerlach Royens De jongere Veranderingen van het Indogermaanse Nominale Drieklassensysteem]. De Nieuwe Taalgids 21: 50-57.

1954Genus en Geslacht. Het voornaamwoordelijk gebruik in de gesproken taal. Amsterdam: J.H. Meulenhoff.

1954/5"Herdenking van Gerlach Royen O.F.M. (18 oktober 1880-4 februari 1955)". JKNAW 1954/5: 337-347.

1955/6"In memoriam. Cornelis Gerrit Nicolaas de Vooys 1873-1955". Jaarboek der Rijksuniversiteit te Utrecht 1955/6: 21-25.

Hamel, Anton Gerard van

1945Geschiedenis van de Taalwetenschap. Den Haag: Servire [41974].

Haselbach, Gerhard

1966Grammatik und Sprachstruktur. Karl Ferdinand Beckers Beitrag zur Allgemeinen Sprachwissenschaft in historischer und systematischer Sicht. Berlin: W. de Gruyter.

Hoogeronderwijswet

121937Hoogeronderwijswet. Wetten tot regeling van het Hooger Onderwijs en van het Hooger Landbouwonderwijs. Zwolle: Tjeenk Willink [door F. Kroon].

Jäger, Ludwig

1975Zu einer historischen Rekonstruktion der authentischen Sprach-Idee Ferdinand de Saussures. Düsseldorf [masch. Diss.].

Jankowsky, Kurt R.

1972The Neogrammarians. A Re-Evaluation of their place in the history of linguistics. The Hague, Paris: Mouton.

Josselin de Jong, J.P.B.

1910"De oorsprong van het grammatisch geslacht". Tijdschrift voor Nederlandsche Taal en Letterkunde 9: 21-84.

Kluyver, Albert

1917[Bespr. van Ferdinand de Saussures Cours de Linguistique générale]. Museum 24: 153-156.

1923[Bespr. van Ferdinand de Saussures Cours de linguistique générale, 21922]. Museum 31: 57-59.

1924[Bespr. van Adolf Noreens Vårt Språk]. Museum 31: 193-197.

Koerner, Ernst Frideryk Konrad

1973The Importance of Techmer's "Internationale Zeitschrift Für Allgemeine Sprachwissenschaft" in the Development of General Linguistics. Amsterdam: John Benjamins.

Koerner, Ernst Frideryk Konrad [ed.]

1989Practicing Linguistic Historiography. Selected Essays. Amsterdam, Philadelphia: John Benjamins.

Langeveld, Martinus Jan

1934Taal en Denken. Een theoretiese en didaktiese bijdrage tot het voortgezet onderwijs in de moedertaal, inzonderheid tot dat der grammatika. Gro0ningen, Den Haag, Batavia: Wolters' Uitgevers-Maatschappij.

1935"Taal en Spraak". NTg 29: 74-82.

Lubbe O.F.M., H.F.A. van der

21965Woordvolgorde in het Nederlands. Een synchrone structurele beschouwing. Assen: Van Gorcum & Comp.

Manning, A.F. et.al. [eds.]

1974Katholieke Universiteit Nijmegen 1923-1973. een documentenboek. Bilthoven: Ambo.

Meillet, Antoine

1906"L'état actuel des études de linguistique générale". Duitse vertaling in: Christmann ed. (1977: 315-333).

1927[Bespr. van Gerlach Royens De jongere veranderingen van het indogermaanse nominale drieklassensysteem]. BSLP 27: 40.

1931[Bespr. van Gerlach Royens Die nominalen Klassifikations-Systeme in den Sprachen der Erde. Historisch-kritische Studie mit besonderer Berücksichtigung des Indogermanischen]. BSLP 31: 4-14.

Mélanges

1937Mélanges de linguistique et de philosophie offerts à Jacq. van Ginneken à l'occasion du soixantième anniversaire de sa naissance (21 avril 1937). Paris: Klincksieck.

Mohrmann, Christine

1937/8"Mgr. Prof. Dr. Jos. Schrijnen (Venlo 3 m3i 1869-Nijmegen 26 januari 1938)". JMNL: 204-211.

Nerlich, Brigitte

1992Semantic Theories in Europe 1830-1930. From Etymology to Contextuality. Amsterdam, Philadelphia: John Benjamins.

Noordegraaf, Jan

1982"Traditie en vernieuwing in de taalwetenschap. Twee 'problemen'". Van Driel/Noordegraaf eds. (1982: 81-109).

1987Dèr Mouw contra Hoogvliet. Universele Grammatika anno 1903. Schiedam: Huis te Riviere Pers.

1988"Hoogvliet versus van Ginneken. Dutch Linguistics around the Turn of the Century". Historiographia Linguistica 15: 207-238.

in press"Dutch Linguistics around 1800: Between France and Germany".

Parret, Herman / Roger van de Velde

1980"Structuralism in Belgium and the Netherlands". Semiotica 29: 145-174.

Paul, Hermann

1880Principien der Sprachgeschichte. Tübingen: Niemeyer [81968].

Reichling, Anton J.B.N.

1935Het woord. Een studie omtrent de grondslag van taal en taalgebruik. Nijmegen: Berkhout.

1947"Wat is Algemene Taalwetenschap?". Reichling ed. (51966: 7-23)

Reichling, Anton J.B.N. [ed.]

51969Verzamelde Studies over hedendaagse problemen der taalwetenschap. Zwolle: Tjeenk Willink.

Rogier, L.J.

1974"Terugblik door L.J. Rogier". Manning et.al. eds. (1974: 15-47).

Rooijen, M. van

1986"De Faculteit der Letteren". Von der Dunk et.al. eds. (1986:

Royen O.F.M., Gerlach (Nicolaus Jacobus Hubertus)

1926De jongere veranderingen van het indogermaanse nominale drieklassensysteem. 's-Hertogenbosch, Antwerpen: L.C.G. Malmberg.

1929Die nominalen Klassifikations-Systeme in den Sprachen der Erde. Historisch-kritische Studie, mit besonderer Berücksichtigung des Indogermanischen. Mödling bei Wien: Anthropos.

1932Simplisme en dilettantisme. Utrecht, Nijmegen: Dekker & Van de Vegt, J.W. van Leeuwen.

1933"Spraak en Taal". MKAW Afd. Letterkunde dl. 75, serie A, No 5: 157-182.

Saussure, Ferdinand de

1916Cours de linguistique générale. Edition critique préparée par Tullio de Mauro. Paris: Payot [1972; 1985 avec une postface de Louis-Jean Calvet]

Scheerer, Thomas M.

1980Ferdinand de Saussure. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft.

Schmidt S.V.D., P. Wilhelm

1914"Was erwartet die aalgemeine Sprachwissenschaft von der Experimentalphonetik". Wiener Medizinische Wochenschrift 64.27: 1557-1565.

Schmitter, Peter

1992"Quo vadis, ars historica?" BGS 2.2-3: 235-239.

Schrijnen, Joseph

1905Inleiding tot de studie der vergelijkende indogermaansche taalwetenschap vooral met betrekking tot de klassieke en germaansche talen. Leiden: A.W. Sijthoff.

1921Taal en Kultuur. Utrecht: Dekker & Van de Vegt.

1917Handleiding bij de studie der vergelijkende indogermaansche taalwetenschap vooral met betrekking tot de klassieke en germaansche talen. Leiden: Sijthoff [91924].

1933"Het Latijn en de theorie van de Indo-Europeesche randtalen". MKAW Afd. Letterkunde dl. 75, serie A, No 3: 69-90.

1936/7"Levensbericht van Antoine Meillet (11 november 1866-21 september 1936)". JMNL 1936/7: 168-175.

Sebeok, Thomas A. [ed.]

1966Portraits of Linguists. A Biographical Source Book. Two Vols. The Hague, Paris: Mouton.

Siertsema, Berthe

1980Algemene taalwetenschap an de Vrije Universiteit. Amsterdam: VU-publicaties.

Stutterheim, C.F.P.

1937"Psychologische interpretatie van taal-verschijnselen". NTg 21: 259-271).

1988Herinneringen van een oude taalonderzoeker. Leiden.

Symons, Barend

1878Over de wetenschappelijke beoefening der moderne talen. Groningen: R.J. Schierbeek.

1915Moderne Filologie aan de Groningsche Universiteit. Groningen: P. Noordhoff.

Teeuw, Andries

1954"Een nieuwe ontwikkeling in de fonologie: het werk van Roman Jakobson". NTg 47: 241-252.

Thilo, Ulrich Ch.M.

1989Rezeption und Wirkung des Cours de linguistique générale. Überlegungen zu Geschichte und Historiographie der Sprachwissenschaft. Tübingen: Narr.

Uhlenbeck, E.M.

1956"De studie der zgn. exotische talen in verband met de algemene taalwetenschap". Museum 61: 65-80.

Verburg, Pieter A.

1957Algemene Taalwetenschap en Encyclopaedie. Groningen, Djakarta: J.B. Wolters.

1963/4"Albert Willem de Groot (Groningen, 13 januari 1892-Laren N.H., 14 december 1963)". JMNL 1963/4: 66-74.

Vercoullie, J.

21900Algemeene Inleiding tot de Taalkunde. Gent: J. Vuylsteke.

Vonk, Frank

1993"P. Gerlach Royen's (1880-1955) Contribution to the Development of General Linguistics in the Low Countries". Voordracht tijdens het VIde Internationale Kolloquium van de Studienkreis für die Geschichte der Sprachwissenschaft in Trento (september 1993).

Vooys, C.G.N. de

1933De studie van de woordbetekenis. Groningen etc.: J.B. Wolters.

1938Inleiding tot de studie van de woordbetekenis. Groningen, Batavia: J.B. Wolters.

Weijnen, A.

1955/6"Nikolaus Jakobus Hubertus Royen (Valkenburg, 18 oktober 1880-Utrecht, 4 februari 1955". JMNL 1955/6: 115-119.

Wils, J.

1948"In memoriam. Jacques van Ginneken (21 April 1877-20 October 1945)". Lingua 1: 133-139.


 

    [1]Dit artikel is een uitgebreide en bewerkte versie van een Lezing tijdens de vergadering van het Werkverband Geschiedenis van de Taalwetenschap in Nijmegen op 19 februari 1993). Voor aanvullende informatie en kritische kanttekeningen ben ik met name Prof.Dr. H. Schultink (Bilthoven), Dr. J. Noordegraaf (Vrije Universiteit, Amsterdam) en Dr. E. Elffers (Universiteit van Amsterdam) erkentelijk. Daarnaast het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen in Zoetermeer, in het bijzonder J. de Marie van het archief, voor de toestemming tot inzage van de archiefbescheiden met betrekking tot het Academisch Statuut 1921.

    [2]Het betreft hier een derde wetswijziging op de opbouw en inrichting van het hoger onderwijs in Nederland. Eerder werd in 1815 de faculteit der bespiegelende wijsbegeerte en letteren in het Organiek Besluit afgesplitst van de filosofische- of artesfaculteit (letteren werd een aparte faculteit naast "wetenschappen"), in 1876 kwam de Wet op het Hooger Onderwijs tot stand. Hierin waren een vijftal letterenstudies opgenomen, te weten de klassieke letterkunde, de nederlandse letterkunde, semitische letterkunde, taal- en letterkunde van de Oost-Indische Archipel en wijsbegeerte (vgl. Groen 1988: 111-204).

    [3]Groen beschrijft deze ontwikkelingen in zijn overzicht als volgt:

Na de ontdekking van het sanskrit in 1786 [? - fv] door [William] Jones [1746-1794], rechter in Bengalen, kregen de taalverwantschapsstudies een nieuwe impuls: men veronderstelde een proto-indo-europese taal, waaruit het sanskrit en de meeste europese talen ontstaan zouden zijn. Daar kwam nog bij dat professor Kern een zeer grote kennis van de Indonesische talen had, hetgeen ten goede zou kunnen komen aan de pas in Leiden opgerichte Rijksinstelling voor onderwijs in de Indische taal-, land- en volkenkunde, in de concurrentie die deze instelling met het gemeentelijke Indische instituut te Delft te voeren had [...]. (Groen 1988: 177)

    [4]Men vergelijke hier een passage in de "Toespraak" die Symons bij de "opening zijner lessen" op 27 september 1878 hield:

 

De historisch-vergelijkende methode is dan ook de eenige, die op de beoefening der moderne talen den stempel der wetenschappelijkheid kan drukken, dus ook de eenige, die bij het akademisch onderwijs gevolgd mag worden. Zegevierend heeft zij de oude logische beoefening der grammatica verdrongen, en ook in de spraakkunst der moderne talen vragen wij thans niet meer: naar welke wetten der logica wordt een klank, een woord hetgeen het geworden is? -wij verdiepen ons niet meer in algemeene en juist om hare algemeenheid in de taalkunde onvruchtbare speculatiën, maar wij zoeken het waarom in de historische ontwikkeling van de taal zelve. Ieder historisch onderzoek zal echter, waar de bronnen beginnen te verzanden, zijn toevlucht tot vergelijking moeten nemen, en vooral in de taalkunde is dit het geval. [... Maar, o]ok in de vergelijkende taalstudie is het besef van den wetenschappelijken plicht bovenal noodzakelijk: geene ijdele woordenboekgeleerdheid, maar bronnenstudie! Waarom, als wij in onze eigen taal een woord wenschen te verklaren, onze toevlucht nemen tot het Sanskrit, waar het Gotisch, waarom tot het Gotisch, waar het hedendaagsche Duitsch of Engelsch, waarom tot die talen, waar een onzer levende volksdialecten de voldoende verklaring aan de hand geeft?       (Symons 1878: 13f.)

    [5]In het eerste hoofdstuk van Algemene Taalwetenschap geven Dik en Kooij de volgende kenmerken van het object van algemeen taalwetenschappelijk onderzoek:

1.het object is het verschijnsel taal als:

a.algemeen menselijk verschijnsel (geen mensen zonder taal en geen taal zonder mensen);

b.uiteenvallend in verschillende talen en taalgroepen (meer of minder verwant aan elkaar);

c.maatschappelijk verschijnsel dat ieder kind min of meer vanzelf leert;

2.de ATW moet talen als in beginsel gelijkwaardig zien, hetgeen veronderstelt dat talen gemeenschappelijke kenmerken hebben die op vverschillende manieren in talen zijn gerealiseerd.

3.taal is communicatiemiddel tussen mensen, waarin het op bepaalde manieren verschilt van "communicatie" tussen dieren. ATW bestudeert menselijke taal.

4.ATW bestudeert natuurlijke talen als produkten van een traditie. In beginsel bestudeert ATW geen kunstmatige talen als het Esperanto.

5.ATW bestudeert de ontwikkelingsfaktoren van natuurlijke talen: hoe past de taal zich aan aan de veranderende ervaringswereld. Taal is dynamisch.

6.taal is een sociaal verschijnsel en wordt door mensen gebruikt in situaties conform bepaalde conventies;

7.taal kan op basis van haar dynamiek als verschijnsel in creatief handelen worden beschouwd, ze is produktief

 

We kunnen nu het objekt van de ATW omschrijven als: de natuurlijke taal in al zijn verschillende aspekten. De doelstelling van de ATW is: het verwerven van inzicht in de algemene principes die aan taal en taalgebruik ten grondslag liggen. We kunnen ook zeggen: het ontwikkelen van een algemene theorie omtrent de eigenschappen van taal en taalgebruik.                                (Dik/Kooij 1970: 15)

 

Wat betreft de methode voor algemeen taalwetenschappelijk onderzoek stellen ze het volgende vast:

1.ATW maakt gebruik van een hypothetisch-deductieve methode. Deze methode kent de volgende fasen:

a.materiaalverzameling;

b.hypothesevorming;

c.deductie van voorspellingen;

d.toetsing van afgeleide voorspellingen.

 

Wanneer men zich nu afvraagt hoe de algemene taaltheorie in de ATW zich tot doel stelt te ontwikkelen zich verhoudt tot deze hypothetisch-deduktieve methode, dan kan dat zo verduidelijkt worden: een theorie is niets anders dan een systematisch samenhangend geheel van hypothesen. Hieruit volgt direkt dat een theorie zo geformuleerd moet zijn, dat er toetsbare voorspellingen uit afgeleid kunnen worden. En ook, dat we nooit de absolute zekerheid kunnen hebben dat een theorie 'juist' of 'waar' is. (Dik/Kooij 1970: 17)

    [6]Thilo (1989: 125) wijst ook op de opmerkelijk kwalificatie van Van Ginneken van Saussures Cours na verschijning van de tweede druk: "'Sehr ungleich von wert. Neben tiefen Einblicken in das Leben der Sprache, dilettantische Freisinnigkeit'". Toch, zo Thilo, staat dit oordeel niet voor een algemene opvatting over het werk van De Saussure. Het zegt wellicht des te meer over Van Ginneken!

    [7]Wel moet men vraagtekens plaatsen bij de opmerking van Wils over het pragmatisch en min of meer atomair karakter van taalanalyse bij de "Junggrammatiker". Welke Junggrammatiker heeft hij op het oog? En wat zouden deze zelf te zeggen hebben over het pragmatisch karakter van hun onderzoek? Er zitten nogal wat verschillen in benadering van talenstudie bij Schleicher, Brugmann of Paul! (vgl. Jankowsky 1972 en Einhauser 1989).

    [8]Zo stellen Brugmann en Osthoff in hun voorwoord tot het eerste deel van de Morphologische Untersuchungen, het zgn. "Glaubensbekenntnis" (Osthoff/Brugmann 1878: 205) der neogrammatici dat ze "erst dann zur analogie greifen, wenn uns die lautgesetze dazu zwingen. Auch für uns ist die formassociation immer noch ein 'ultimum refugium'". Het verschil met anderen is slechts dat zij zich

 

viel früher und viel öfter vor dieses gestellt sehen als die andern, eben weil wir es mit den lautgesetzen genau nehmen und weil wir der überzeugung sind, daß die kühnste annahme von analogiewirkung, wenn sie im bereich des möglichen liegt, immer noch mehr anspruch darauf hat, 'geglaubt' zu werden, als willkürliche umgehungen der mechanischen lautgesetze.

                                                                                                        (Osthoff/Brugmann 1878: 204)

    [9]Ook De Saussure plaatst de wetenschappelijke studie van "la langue" qua tekenstructuren in de context van de studie naar "la vie des signes au sein de la vie sociale" (Saussure 1916: 33). Bovendien maakt deze studie deel uit van de sociale psychologie en bijgevolg van de algemene psychologie: "C'est au psychologue à déterminer la place exacte de la sémiologie; la tâche du linguiste est de définir ce qui fait de la langue un système spécial dans l'ensemble des faits sémiologiques" (Saussure 1916: 33).

    [10]Uit deze opvatting mag men niet opmaken, dat psychologie, antropologie of sociologie niet als "hulpwetenschappen" ter ondersteuning van algemeen taalwetenschappelijk kunnen optreden. Dat hangt dan voornamelijk samen met de "veelzijdigheid der aspecten aan een linguïstisch verschijnsel" (Reichling (1947: 23); maar dat had men al lang voor Reichling vastgesteld.

    [11]In zekere zin gaat het dus om een wetenschapstheoretische vraag in het kader van de verzelfstandiging (emancipatie) van afzonderlijke wetenschappen op basis van een eigen methodenleer en voorwerp van onderzoek, ofwel: wat constitueert voorwerp en methode van algemeen taalwetenschappelijk onderzoek onafhankelijk van cultuurwetenschappen (Hermann Paul), sociologie (Antoine Meillet, Jos. Schrijnen) of sociale psychologie (Ferdinand de Saussure), natuurwetenschappen (August Schleicher) etc.

    [12]Zo schrijft Koerner (1973: 26), dat in een dergelijk tijdschrift veel waardevolle ideeën te vinden zijn voor een geleerde met theoretische belangstelling en toch niet in het Duitse intellectuele klimaat opgegroeid:

 

Note, for instance, Pott's quotation, with approval and comment, of an argument put forward by Ernest Renan (1823-1892) in a book on the origin of language: 'Die Verbindung von Sinn und Laut [man kann das von jederlei Zeichen etwa 9 und IX sagen] ist niemals naturnotwendig - sonst wäre sie überall gleich - noch willkürlich und absichtlich, aber stets motiviert, nie grundlos'.

    [13]Wel geeft Kluyver in een bespreking van Adolf Noreens (1854-1925) Einführung in die wissenschaftliche Betrachtung der Sprache, een Duitse vertaling van stukken uit Noreens Vårt Språk, aan, wat men normaal gesproken onder algemeene taalwetenschap verstaat en wat Noreens bijdrage daaraan is:

 

Vaak is gezegd, dat eene ,algemeene taalwetenschap' in den stricten zin onmogelijk is, doordat kennis van alle talen ter wereld er de voorwaarde van zou zijn; vaak ook is gezegd, dat het algemeene is te vinden in al het bijzondere, en dat men ook in ééne taal en hare geschiedenis stof vindt voor de algemeene begrippen die men verlangt te ontwerpen. De eenvoudige feiten die in dit boek worden vermeld, zijn genomen uit de Germaansche talen en vooral uit het Duitsch.                                                                   (Kluyver 1924: 193)

 

Vergis ik mij of gaat Kluyver er inderdaad van uit, dat algemene taalwetenschap haar oorsprong vindt in een uitputtende analyse van afzonderlijke talen, d.w.z. niet in een vergelijkende talenstudie? Dat zou dan betekenen dat hier een "modernere" opvatting van Algemene taalwetenschap bestaat dan die, waar de ontwerpers van algemene taalwetenschap als studieonderdeel van uit zijn gegaan.

    [14]Men moet zich hier echter afvragen, in hoeverre Saussure reeds tussen 1881, toen hij als "Maitre de conférences pour le gothique et le vieux-haut-allemand" een deel van de leeropdracht van Michel Bréal (1832-1915) overnam, en 1891, toen hij als buitengewoon, in 1896 tot gewoon hoogleraar voor geschiedenis en vergelijking der indogermaanse talen in Genève werd benoemd die onderwerpen heeft behandeld die hij m.n. in de "Introduction" van de Cours tot uitdrukking brengt en die het wetenschapstheoretisch kader lijken te vormen van de latere structuralistische taalkunde: het onderscheid tussen diachronische en synchronische taalkunde, tussen "langue" en "parole", het teken- en systeemkarakter van taal, het communicatiemodel en het sociaalpsychologisch karakter van taal.

    [15]Deze vorm van taalwetenschapsbeoefening is duidelijk gebaseerd op de Duitse academische taalwetenschappelijke traditie. Zij

 

"stelt zich ten doel door het vergelijken van de overeenkomstige vormen in de Indogermaansche talen de wetten op te sporen, die hare klankleer, buigingsleer en woordvoegingsleer beheerschen, haar woordenschat te bepalen, hare denk- en voorstellingswijze nader toe te lichten. Zij is de methodische studie der overeenkomsten, die de Indogermaansche taalgroep vertoont, in betrekking tot haar oorsprong. (Schrijnen 1905: 37)

    [16]Wat dat aangaat is het opvallend dat Nederlandse taalkundigen als De Vooys in huidig onderzoek naar de geschiedenis van de semantiek, bijv. in Brigitte Nerlichs recent verschenen studie Semantic Theories in Europe 1830-1930 geen ingang vinden, terwijl toch de bijvoorbeeld door Nerlich behandelde semantici kernachtig door De Vooys worden besproken. Een belangrijk resultaat van zijn onderzoek is, mede in het licht van onze bespreking van algemene taalwetenschap in Utrecht en de methodologische overwegingen die aan het begin van dit artikel zijn gemaakt, de relatie tussen taal, spraak, woord en zin:

 

Tot nu toe spraken we steeds over woorden en de woordbetekenis. Maar kan een woord eigenlik wel geïsoleerd beschouwd worden? De taalpsychologie heeft ons immers geleerd dat een zin geen legkaart van woorden is, maar dat een woord eerst kan begrepen worden in en door de zin. De onderscheiding van taal en spraak (language en speech), zoals Gardiner die onlangs scherp gesteld heeft, brengt helderheid. In de taal, zoals die in de geest van spreker en hoorder, bewust of onderbewust, aanwezig is, bestaan de afzonderlike woorden met verschillende mogelikheid van betekenis op grond van ervaring uit velerlei zinsverband geïsoleerd, en in het geheugen bewaard. In de spraak kan slechts de zin als eenheid gelden: daar komt het woord te voorschijn in het organies verband van de zin, en met een betekenis die op dit tijdstip, in dit milieu, in deze omstandigheden de enig mogelijke is.                                                                      (De Vooys 1933: 9)

 

Over de eventuele problemen die Gardiners opvattingen o.m. bij Langeveld (1935) geven, zal ik nog terugkomen.