Die Welt ist alles, was der Fall ist

en

Wovon man nicht sprechen kann, darüber muß man schweigen

 

“We leren niet voor onze school [onze vrije tijd?] maar voor het leven [onze vrije tijd?]”, zo lezen we in de Brieven (106, 12) van Seneca en in de titels van twee bijdragen van Ruud van Caspel aan de FEMmail (daar wordt het voor de FEMmaillezers gemakshalve in het Latijn weergegeven: “Non scholae, sed vitae discimus”.

 

In een prikkelende beschouwing lezen we de diepere ziele(n)roerselen van een onzer collega’s (collegae?). Prikkelend, omdat schrijver dezes niet alleen in gesprek met zichzelf maar ook met de auteur van de bijdragen wat kritische kanttekeningen wil plaatsen bij de strekking van het geschrevene, maar ook op detailniveau nogal wat op te merken heb.

 

Een mailwisseling

 

Maar laten we eerst beginnen met een mailwisseling binnen de HAN die zich rond 21 februari j.l. afspeelde. Hierin reageert collega Ruud op een reactie van collega Wim op een aantal reacties van weer anderen op een mail van collega William, waarin een gastcollege wordt aangekondigd over “investeren in klanttevredenheid”:

 

> Als geen ander weet Matthias Meijer, directeur van The
> Customer Care Company www.tc3.com <http://www.tc3.com/>  of
> investeren in klantgerichtheid en klanttevredenheid nu ook
> het gewenste resultaat oplevert.

 

Interessant is niet alleen de ontevredenheid van de collega’s over het oneigenlijk gebruik van de verschillende distributielijsten – wie is eigenlijk de klant, degene die wordt aangesproken en uitgenodigd? Ook de primaire en secundaire reacties leveren een vermakelijke mailwisseling op die ook weer via alle distributielijsten loopt. Interessant is ook dat collega Ruud collega Wim aanspreekt op diens taalgebruik (spelfouten), in het algemeen (neem ik aan) de ontlezing, de juridische inbedding en consequenties van de uitspraken, het verwijderen van ongewenste mail via de deleteknop en omgangsvormen. Kortom, een boeiende opsomming aan de hand van een opmerking over de kosten van deze brede mailwisselingen en het ongewenst vullen van de beperkte digitale opslagruimte die elk van ons heeft (rond de 100 Mb, als ik mij niet vergis).

 

De lezer leest wellicht enige ironie tussen de regels door, maar deze is in principe onbedoeld. Als er al ironie uit het voorafgaande spreekt, wordt deze gevoed door de vorige zin of “the ear of the beholder”.

 

Wat de collega’s geacht worden te doen en te lezen

 

Maar om terug te komen op de bijdragen van collega Ruud. Ik lees een aantal pagina’s  met veel citaten, stellingen, “Binsenweisheiten” en bij elke alinea die ik lees vraag ik mij af: “hoezo?”. Een aantal voorbeelden:

-          om te oogsten zul je moeten zaaien (p. 6): Wie zaait? Hoe zaait die “je”? Waar zaai “je”? En ontstaan de mooiste en prachtigste planten, bloemen, bomen niet spontaan? Dus waarom “moet” er überhaupt gezaaid worden?

-          Taal is een aangeboren faculteit – geen software maar hardware (p. 6). Tja, wie kent de jaren ‘60 en ‘70 discussies niet die naar aanleiding van Chomsky’s “aangeboren taalvermogen” gevoerd zijn (taal is juist niet aangeboren en zeker geen hardware); hier zal ik hier verder niet op ingaan, aangezien de discussie al gauw academisch wordt (dat krijg je als je 16 jaar in het Utrechtse hebt vertoefd, het bolwerk van het Chomskyanisme in Nederland, maar collega’s die hier met mij eens een boom over willen opzetten zijn van harte uitgenodigd). In elk geval zie ik taal (en met name moderne “vreemde” talen; ze worden inderdaad steeds vreemder) als een bij leven en welzijn verworven instrument om de communicatie tussen “taalgenoten” mogelijk te maken en de motivatie om een taal te leren des te groter wordt, naarmate je merkt dat het nuttig is om die taal te beheersen.

-          “Ik vermag niet in te zien waarom geen onderricht gegeven zou worden in deze deugden” (p. 8). Ik sla p. 7 even over, omdat deze bijdrage anders te lang zou worden. Maar onderwijs in deugden. Dat is nooit de bedoeling geweest van Aristoteles in zijn Ethica Nicomacheia, genoemd naar zijn zoon die hier mogelijk wijze lessen uit zou hebben kunnen trekken, maar het spiegelen aan “goede voorbeelden” en het zoeken van het “juiste midden” is een persoonlijke, individuele keuze van het individu, al geef ik toe dat deze keuze ingegeven wordt door je al dan niet erfelijk bepaalde plaats in de polis, de Griekse stadstaat. En is het schadelijk om hier, in deugden, niet in onderwezen te zijn dan wel kennis ervan genomen te hebben? Ik meen mij te herinneren dat er vele ethische wegen naar Rome leiden en de deugd-benadering er een is. Waarom zouden we hierin onderwijzen en niet in de middeleeuwse christelijke ethiek (Thomas van Aquino) of in de postmoderne ethiek van Derrida? Of wellicht pakken we toch Kant, deontologie, en Jeremy Bentham / John Stuart Mill, utilitarisme, weer op? Hangt dit niet heel sterk af van wie ik ben? Waar mijn behoeften liggen? Wat ik wel en wat ik niet wil (bron van alle kwaad volgens Augustinus) leren? Wat ik wel of niet nodig heb voor mijn welvaart respectievelijk welzijn?

-          Grote moeite heb ik met de zinsnede “tolerantie aan te kweken, begrip voor de ander na te streven, vooroordelen vervangen door kennis van zaken” (p. 8). Wat veronderstelt dat dit niet zou bestaan? Dat met name tolerantie aangekweekt kan worden (dan zouden we eerst duidelijk moeten hebben wat dat begrip betekent), betwijfel ik. Ik zou hier willen verwijzen naar hoofdstuk 6, deel 2 van het boekje Deugdelijk leven door Paul van Tongeren, waarin tolerantie als ruime en vage term wordt gekarakteriseerd, het als onmogelijke deugd wordt beschouwd (lijkt ons tot huichelachtigheid te verleiden en doet dat in veel gevallen ook) en tot onverschilligheid en cynisme leidt: we zijn tolerant als datgene dat tolerantie vraagt geen probleem voor ons is.

-          Ook de uitspraak dat “niemand zou mogen afstuderen zonder elementaire kennis van de grote werken van de filosofie en de cultuurgeschiedenis, Plato, Aristoteles, Locke, Spinoza en Schopenhauer” (p. 8)  jawel van onze “grote”, totaliserende denkers, waartoe we ook nog Hegel, Marx en Heidegger kunnen rekenen (The Open Society and Its Enemies, zou Popper zeggen), is opmerkelijk. Waarom overigens niet Aurelius Augustinus, René Descartes, David Hume en mijn favorieten: Fritz Mauthner, Gustav Gerber, Ludwig Wittgenstein, Edmund Husserl, Karl Bühler en niet te vergeten George Herbert Mead. Kortom, wie adviseert wie wat te lezen en wie bepaalt uiteindelijk of datgene, wat hij leest, dat is dat hij eigenlijk zou hebben moeten lezen?

-          En is “het geenszins uitgesloten” dat de verarming van het onderwijs in de afgelopen decennia zal leiden tot de ondergang van de westerse beschaving (p. 8)? Da’s wel een lastige vraag, waarop niemand (wellicht is dat het voordeel van de tijdelijkheid van ons bestaan of ons uit-staan, existentie) een toereikend antwoord vermag te geven. Gelukkig maar (dit is een eigen mening geënt op het voorafgaande).

 

Het grootste probleem dat ik met de bijdrage(n) van collega Ruud (in elk geval het tweede deel) heb is de stelligheid, waarmee een en ander door onze luchtwegen wordt geperst, de aanbodgestuurde benadering van hetgeen wordt beweerd en gedebiteerd, het gebruik van begrippen en theorieën voor doeleinden waar ze niet voor bedoeld zijn (al weet ik ook niet altijd waar ze dan wel voor bedoeld zijn) en een studentbeeld dat naar mijn smaak veel te pessimistisch is – ik zou het wel eens at random een aantal studenten willen voorleggen en hen willen vragen wat ze hierin wel en wat ze niet herkennen. En ten slotte een verzuchting: is dit alles niet ingegeven door de bescheiden “Privatgelehrte(n)” en intellectueel die ’s ochtends verwonderd zijn ochtendkrant openslaat of de collegezaal instapt en denkt: “wat een wereld!”

 

Frank Vonk